STRAATGESPREKJES

Sinds ik een hond heb kom ik veel buiten, zelfs als het waait en regent. Ik moet wel, een hond is geen kat. Dus daar sta ik weer vanochtend, balancerend tussen een stormparaplu en een springende Labradoodle. Maar lang kan ik niet mopperen, want daar komt het meisje aangehuppeld dat aan het eind van de straat woont.

Charlie! roept ze blij zoals alleen een kind kan zijn. Joechee! springt mijn hond zoals alleen een Labradoodle kan doen. Charlie kent Sophie inmiddels goed, want Sophie kan niet verder lopen zonder Charlie uitgebreid geknuffeld te hebben. En dat is precies wat mijn hond wil: woelende handjes door zijn zachte haren. Sophie is een meisje van geen woorden maar daden. Zonder iets te zeggen aait ze Charlie tot hij erbij gaat liggen. En dat is bijzonder. Want meestal blijft hij springen tot de handjes moe zijn van het aaien. Maar niet bij Sophie. Bij haar geeft hij zich over aan haar handen. Zo blijft hij liggen, zelfs als ze is opgestaan en weggelopen omdat de schoolbel roept.

Dan parkeert er een auto aan de overkant van de straat. Charlie weet inmiddels dat dit betekent dat er mensen zullen uitstappen. Hij gaat rechtop zitten en kijkt verwachtingsvol naar de portieren die open gaan: vader, zoon en dochter stappen uit. Charlie ziet het gelijk: het meisje moet hij hebben. Vader en zoon lopen door, het meisje kijkt mij aan en vraagt of ze mag aaien. Ik kijk naar mijn luid kwispelende hond: “Ik geloof dat hij al JA heeft gezegd”. Het meisje steekt glimlachend haar hand uit en voor ik het weet heeft hij de pompoen aan haar sjaal te pakken. “Foei, Charlie, los!”, roep ik terwijl ik weet dat hij niet luistert. Want als Charlie vast heeft laat hij niet meer los. Mijn houdgreep moet eraan te pas komen, en zo kan ik zijn bek open trekken om de pompoen te bevrijden. Maar niet voor lang, want Charlie is al naar de volgende pompoen gesprongen.

“Charlie is altijd zo blij als hij een nieuw iemand ontmoet”, zeg ik. “Maar hij mag natuurlijk niet zo wild doen”. Ze glimlacht weer en doet opnieuw een poging mijn hond te aaien. Maar Charlie blijft springen, op zoek naar de pompoenen, die het meisje inmiddels onder haar jas heeft verstopt. “Hij moet leren om niet op te springen”, zeg ik, “maar ja, het lukt niet echt”. Het meisje gaat op haar hurken zitten en opeens zit Charlie ook. “Goed zo, lieve hond”, zegt ze zachtjes, “Jij bent de directeur, want jij laat aan alle honden zien hoe je moet zitten. Dat komt door je puppy-ogen, want die kijken zo smekend dat iedereen doet wat je zegt. Net als in Hotel Transylvania, daar krijgen de vleermuizen hele grote ogen met van die tranen, en dan mogen ze alles”. “Ooo, dat zou ik ook wel willen, van die ogen, dan doet iedereen wat ik wil!”, vul ik aan. Het meisje kijkt mij opeens recht aan: “Dat kun je leren, kijk maar”. Haar blik verandert in iets smekends. “Jeetje, dat doe je goed, dan kom ik bij jou een lesje ‘smeken’ halen”. Het meisje geeft Charlie een kus op zijn kop “Nou, zo goed ben ik ook weer niet, anders waren we niet verhuisd en hoefde ik niet naar deze stomme school. Maar nu moet ik naar mijn vader. Dag Charlie!” En weg is ze.

Met dit meisje nog in mijn hoofd bots ik op de hoek van de straat bijna tegen een jongetje op een fiets. Hij remt en staat abrupt stil, zijn blik strak gericht op mijn hond die uit alle macht trekt. “Waarom doet hij dat?” “Het is nog een puppy, hij wil graag weten wie je bent”. “Waarom?” “Charlie houdt van kinderen, hij wil iedereen begroeten”. Maar het jongetje is er niet blij mee: “Alle honden moet de kop afgesneden worden!” Voordat ik iets kan zeggen roept zijn moeder verschrikt, die inmiddels is aangekomen met het  broertje in de kinderwagen: “Dat wil ik niet horen, Simon!” “Van puppies niet dan”, herstelt het jongetje haastig, en hij stapt weer op zijn fiets. “Dag stomme hond!”, roept hij nog snel achterom.

Zomaar drie kinderen, elk met een eigen verhaal.

En ik hoef ze alleen maar te verzamelen. Net als vroeger, toen ik veren vond op straat. Elke veer was speciaal, want het vertelde een verhaal over de vogel die hem losliet.

LEVEN ZONDER HOOP

Ik geef het meteen toe: de titel is geen aantrekkelijke opening. Een uitzichtloos leven is het ergste wat een mens kan overkomen. Zelfs als doctoren geen kans meer zien op herstel blijft de mens hopen op een wonder. Hoop doet leven is niet voor niets een uitspraak die de tijd heeft doorstaan.

Maar er zijn mensen die anders kijken naar een leven zonder hoop. Dit weekend zag ik op ‘uitzending gemist’ De Wandeling, een gesprek tussen Arie Boomsma en een jonge vrouw, Laura Maaskant, die te horen heeft gekregen dat ze ongeneeslijk ziek is. Ik mijd dat soort programma’s, omdat het me confronteert met iets waar ik niet aan wil. Tegelijkertijd wil ik weten hoe iemand omgaat met de dood voor ogen. Dat ze zo jong is raakt natuurlijk des te meer, en ik voelde de weerstand al in me opborrelen. Het feit dat dit programma door de KRO werd uitgezonden hielp niet; ik was beducht om te horen dat God haar door deze moeilijke periode heen hielp en dat haar dood niet het einde zou zijn, maar een nieuw begin.

Maar iets trok me de uitzending in en ik bleef kijken. Ik zag hoe een jong, frêle meisje met haar zwarte Labrador door het Vondelpark liep, naast de stoere en hippe Arie. Zij vertelde hoe zij genoot van het leven dat haar nog restte –alsof het de gewoonste zaak van het leven was. Hij deed het goed, onze Arie, want hij verviel niet in een meelevend Ach en Wee of in een bewonderend Jee wat knap van je. In plaats daarvan stelde hij haar vragen die niemand durft te stellen: “Jij maakt van elk moeilijk moment wel heel gauw een mooie ervaring: ben je niet aan het afweren? Waarom blijf je zo rustig onder je naderende dood? Hoe kun je praten over koetjes en kalfjes, terwijl de dood voortdurend als het zwaard van Damocles boven je hangt?”

Arie’s scepsis en onbegrip, hoe goed ook verpakt in zijn charmes en rustige stem, sijpelde door zijn vragen heen. Maar Laura trok zich er niets van aan. Zij nam zijn vragen als kostbare schatten aan, voorzichtig en respectvol. Eén voor één kreeg hij ze terug, op waarde geschat en met een vrolijk strikje erom. Laura leek op wolken te lopen, maar haar woorden klonken niet zweverig. Met beide benen op de grond legde ze uit hoe je het leven ook anders kunt zien. Alsof het heel normaal was, een gesprek over leven en dood, zomaar temidden van de spelende kinderen en de wandelende Amsterdammers. Ik zag hoe Arie’s negatieve gevoelens speels en met een twinkeling tussen de bomen van het Amsterdamse bos verdwenen.

En ik geloofde haar; ze klonk oprecht en was zichzelf. Haar leven zonder hoop was niet hopeloos. Ze draaide het om: een leven mét hoop weerhoudt je om nu te leven. Je hoopt alleen maar op een betere toekomst en ziet niet wat het leven op dit moment te bieden heeft. En dat is hoe zij haar leven leeft: intens genietend van elk moment. “Als de dood dichterbij komt, komt het leven ook dichterbij. Als je geen toekomst meer hebt, kun je niet anders dan leven in het nu”. Voor het eerst had zij dat gevoeld toen zij doodziek van de chemokuren in haar ziekenhuisbed lag. Haar lichaam liet haar in de steek, en dat was het moment dat ze de wereld anders ging ervaren. De kleuren van de herfst voelden diep rood en warm, de geuren van de lucht drongen tot in haar poriën door. Zij nestelde zich in de aandacht van de mensen om haar heen. Nog nooit had ze hun liefde zo tastbaar gevoeld. Het verdriet om hen te missen kwam er als een steekvlam bij omhoog, maar haar tranen werden gezien. Zo kon ze het dragen.

Ik zie nu hoe ‘leven zonder hoop’ een andere betekenis kan hebben. Zonder hoop kan Laura het leven ten volle leven, met alle schoonheid, liefde, pijn en verdriet die het in zich heeft.

GELUK TE KOOP

Elk jaar op 5 mei neem ik me voor: dit is de laatste keer dat ik met mijn kleedje en mijn spulletjes op de Vrijmarkt in ons dorp ga zitten. En toch zit ik er het jaar erna weer. Natuurlijk, het is leuk voor de kinderen, zoals de organisatoren benadrukken. Het is opvoedkundig gezien goed voor ze: ze leren met geld omgaan en dat spullen een tweede leven kunnen hebben. Bovenal is de Vrijmarkt een feest van het dorp: geen harde handel, maar elkaar iets gunnen.

Ik sta helemaal achter de visie van de heren en dames van de organisatie. Het is een genot om te zien hoe kinderen van alle soorten en maten bij mijn kraampje komen staan met hun portemonneetje gevuld met klein geld. En hoe ze plotseling verrukt kunnen raken bij het zien van de mooiste Barbiepop, het snelste autootje en het liefste knuffeltje. De glinstering in hun ogen, de blijdschap die in hun lijf opspringt, het zijn deze onbetaalbare momenten waar ik het voor doe.

Een jongen van een jaar of 12 wijst naar de doos met kraaltjes en voegt er snel aan toe: “Niet voor mij, hoor, voor mijn zusje. Maar ik heb maar 3 euro”. Ik kijk in zijn ogen: zo’n lieve broer had ik als kind ook wel willen hebben. Maar in plaats daarvan zeg ik: “Dan zal ze blij zijn met zo’n grote broer als jij! Voor jou een speciale prijs: 50 cent”. “O!!”roept hij verrukt uit, “dan kan ik ook nog iets voor mijn moeder kopen!” Zoveel vertedering kan ik niet aan. Gelukkig kan ik snel mijn geldkistje induiken voor het wisselgeld. Samen zoeken we iets voor zijn moeder uit: een vaasje, dat ik ooit uit Spanje meebracht. “Mijn moeder houdt van het buitenland”, zegt hij serieus. “Dan ga ik nog wat bloemetjes plukken”, en stoer loopt hij weg, een huppel nog net onderdrukkend.

Het zijn niet alleen de kinderen die me blij maken. Ook de oude mevrouw die de legpuzzel van mijn kleedje pakt en gekscherend zegt: “Op deze puzzel kan ik natuurlijk niet afdingen, want het is wel duidelijk dat er geen stukjes missen, hij zit nog in het plastic”. In gedachten heb ik mijn teller al op nul gezet, als ze mij toefluistert: “Mijn man heeft net een operatie gehad en moet wat om handen hebben”. Ik zie haar man gebogen achter haar staan, operatiewit kijkt hij mij van onder zijn borstelige wenkbrauwen aan. “Vijftig cent”, zeg ik voor de vorm. De vrouw kijkt mij verbaasd aan: “Het is een puzzel van 1000 stukjes, hoor, die zijn duur”. “Dertig cent dan”, zeg ik. De vrouw stopt mij grinnikend een euro toe.

Zo zou ik de dag wel kunnen doorkomen, ware het niet dat er ook mensen zijn die de Vrijmarkt niet begrijpen. Zo pakt een mijnheer, als ik mijn spullen in alle vroegte nog aan het uitpakken ben, de gloednieuwe voetbalschoenen van mijn jongste zoon. Mijn zoon was er zo blij mee, maar aangezien we deze vlak voor de zomer kochten moest hij wachten tot zijn eerste voetbaltraining na de vakantie. Hoe sneu was het dat zijn voeten juist in die paar maanden groeiden als kool? De mijnheer bekijkt ze aan alle kanten en zegt dan: “1 euro?!” Ik negeer zijn bevel, en zeg: “Ze zijn nieuw, mijnheer, dus ik dacht aan 3 euro”. “1,50”, zegt hij nog barser. Ik blijf bij mijn prijs en heb spijt dat ik niet hoger heb gezegd. “Laat u ze dan maar liggen, mijnheer, het is nog vroeg en die verkoop ik wel”. Maar hij geeft niet op en duwt me 3 euro in de hand. “Tasje”, zegt hij zonder te vragen. “O! Die liggen nog binnen”. Met een verontwaardigde snuif draait hij zich om, boos om zoveel klantonvriendelijkheid. Bijna was ik hem achterna gelopen om onze deal ongedaan te maken.

Ik weet het: zulke mensen bestaan ook. Net als de vrouw die mijn hele kraampje doorzoekt en precies de mooiste spulletjes eruit haalt: de hartvormige zeepdoosjes, het beeldje van de danseres, het opengewerkte vaasje, een lief muziekdoosje, de ketting met de mooie kralen. “1 euro? “vraagt ze allervriendelijkst. “U hebt de mooie spullen er goed uitgevist!”, zeg ik opgewekt, in de veronderstelling dat ze 1 euro per stuk wil betalen. Maar voordat ik heb kunnen zeggen dat ze korting krijgt, omdat ze zoveel koopt, reageert ze alvast verwijtend: “1 euro voor alles, hè, het is voor een goed doel, voor in de grabbelton”. Terstond twijfel ik aan haar goede doel bedoelingen. En bovendien irriteert het gratis schuldgevoel dat ik erbij krijg. Voordat ik beleefd heb kunnen antwoorden, neemt de emotie het van me over en gris ik de spulletjes uit haar handen: “Weet u, mevrouw, u hebt gelijk, ik ga deze spullen aan een goed doel schenken”. Ik zie het meisje dat ik in therapie heb al voor me. De mevrouw lacht schel en draait zich beledigd om.

Zo verloopt de dag met pieken en dalen, en aan het eind van de dag tel ik de opbrengst. Het schattige meisje, de lieve jongen, het vertederende mevrouwtje, ik tel ze dubbel. De krenterige, verongelijkte, hanige types, ik stop ze diep weg in de doos met overgebleven spullen. Naar de Kringloopwinkel schrijf ik er met grote letters op.

Geluk is te koop. Daarom sta ik er volgend jaar weer.

APRIL

Ik heb de lente gemist. Eerst was het maart en guur, en toen was het mei met zomerse warmte. Hoe heb ik april, de meest uitbundige maand van het jaar kunnen missen? April met haar ontluikende geuren, haar wilde winterstreken, haar springerige zonnestraaltjes. De lente rekt zich uit, herboren, ontvankelijk, nieuwsgierig.

En ik was er niet bij. Ik heb door de dagen gerend als een marathonloper met maar één doel en één gedachte: de eindstreep halen. De Japanse kers in onze tuin deed haar best, de stapel boeken op mijn nachtkastje groeide en de voorjaarsgekruide lucht dwarrelde om ons huis. Het raakte me niet.

Op 1 april kwam ons huis in een verbouwing terecht. Eerst dacht ik nog dat het een grap was, maar nee, ik had het zelf geregeld. Ik wist dat het kwam, maar was onwetend hoe het zou zijn.

Er was een invasie: om half 8 ’s ochtends stormden vier werkmannen binnen met breekijzers, zaagmachines, elektrische boren en zoveel onbekende dingen. Hun zware schoenen bonkten over het parket, ochtendstemmen vulden het huis, koelboxen klonken in de gang. Weldra stond een vuilcontainer op onze stoep, ernaast een keet, compleet met keukentje en chemisch toilet. Er werd een touwtje door onze brievenbus geleid, geen deurbel of sleutel was nu meer nodig. Opeens voelde mijn huis niet meer van mij. Overgenomen, ingepikt en toegankelijk voor wie maar wilde.

Er was een besef: zo zal het zijn voor de komende vier weken. Boven woon ik met gezin en hond, beneden wordt mijn huis onder handen genomen. Het voelde alsof ik een dierbare naar de operatietafel had gebracht: hij is in goede handen en ik moet vertrouwen dat alles goed gaat. Maar ondertussen hou ik alles in de gaten, wil ik dichtbij blijven. Zoals je in de wachtkamer in het ziekenhuis blijft wachten, niet wetende wat je anders moet doen, geen ruimte in je hoofd hebbend om aan iets anders te denken. De controle losgelaten, maar in gedachten hou je je geliefde nog stevig vast.

Zo bleef ik wachten: alert bij elk geluid wat ik niet thuis kon brengen, standby voor alle vragen, ontvankelijk voor alle denkbare rampscenario’s. Wat als de muur die uitgebroken wordt een draagmuur blijkt te zijn, wat als er lekkage komt op dat gevoelige punt, wat als de uitgekozen kleuren niet mooi blijken te zijn, wat als de tegels niet meer verkrijgbaar zijn? Maar mijn gepeins kreeg geen kans, want telkens weer was daar een stem: “Mevrouhouw!!!” En dan moest ik komen en beslissen over alle mogelijke keuzes die een verbouwing in zich blijkt te hebben: de hoogte van het stopcontact, de aftimmering met een hoek of schuin aflopend, de tegels rechtop of liggend, de deur naar links of naar rechts? En elke keer was het een andere stem met een nieuw gezicht: de timmerman, stukadoor, gevelrestaurateur, CV-man, loodgieter, hijskraanmijnheer. Alleen bij de hijskraanmijnheer was ik degene die bleef vragen: “Mijnheer, durft u het aan om onze pui met deze windkracht 8 over ons huis heen te tillen?” Maar werkmannen zijn uit ander hout gesneden dan ik: zij zien geen problemen, maar oplossingen. En zo werd onze pui met vuistdikke touwen en acht sterke werkmansarmen via de zijtuin van de buren in onze achtertuin geleid: zo zachtjes en beheerst, alsof God de wind had stil gelegd.

Er was een realiteit: het dagelijks leven ging door. Er moest gegeten worden, huiswerk gemaakt, hond uitgelaten, verjaardagen gevierd, afspraken nagekomen. En er moest worden schoongemaakt, zoveel keren vaker en grondiger dan normaal. Want stof en vuil blijven niet op de begane grond, maar dringen diep door tot waar je het niet voor mogelijk achtte. Ondertussen blijven menselijke emoties stromen, en trekken zich niets aan van omstandigheden die niet gunstig zijn. En dat alles voltrekt zich in slaapkamers, die ooit alleen bestemd waren voor de stille, donkere nacht vol privacy.

Er was een inzinking: toen duidelijk werd dat de beloofde vier weken, vijf, zes, zeven zouden worden. Ook al weet je dat verbouwingen altijd langer duren, je hoopt dat dit bij jou niet het geval zal zijn. Het bleek inderdaad een draagmuur te zijn, de tegels waren niet op voorraad, de lekkage kwam sneaky opdagen toen de stukadoor net tevreden huiswaarts was gekeerd. En natuurlijk zien kleuren op een staaltje er heel anders uit dan op je eigen muren. Het zijn geen rampscenario’s, het is de werkelijkheid. Maar gelukkig is daar het leger werkmannen weer om goedgemutst mijn rampen te herstellen. “Mevrouw, dat lossen we zo op!”

En dat deden ze ook. En wat deed ik? Ik maakte elke dag weer de keuken schoon. Ook al wist ik: morgen is het weer een troep. Ik sopte de afdekplaten, gooide de plastic koffiebekertjes weg, legde het achtergebleven gereedschap netjes bij elkaar. Totdat ik het gevoel had dat het huis weer een beetje van mij was. Opeens snapte ik wat ik ooit op televisie had gezien: in een vluchtelingenkamp veegde een vrouw zorgvuldig het zand uit haar tent, alle slippers stonden netjes op een rij. En ik dacht: “Wat heeft dat voor zin, ze heeft toch wel belangrijkere dingen aan haar hoofd?” Nu weet ik: als de chaos om je heen overweldigend is, moet je je eigen ruimte koesteren om het te kunnen dragen. En terwijl ik dit schrijf ligt de vergelijking zwaar op mijn hart. Mijn luxeverbouwing verschiet erdoor van kleur.

Zo timmerde en zaagde de chaos zich een weg door mijn systeem. Daar kwam april niet meer doorheen. Een goede vriend vertelde me dat hij na 1 week verbouwing 6 weken herstel nodig had. Voor mij komt dat met 7 weken neer op 42 weken rehabiliteren. En dan is het bijna weer april. Ik weet nu al wat ik dan ga doen: wachten op de lente.

GEHEIMEN

Ik was een kind met veel geheimen. Misschien had elk kind die wel, maar omdat niemand het er ooit over had weet ik het niet zeker.

Zo herinner ik me nog dat mijn moeder boodschappen deed bij de SRV-man: een huis-aan-huis supermarkt met een man in een lichtblauwe stofjas. Ik wilde altijd mee, want die supermarktbus leek op mijn eigen winkeltje, maar dan groter. Alle spullen lagen netjes geordend, en van alles waren er hooguit twee stuks. Het mooiste vond ik de piepkleine toonbank met kassa, waar hij, de SRV-man, trots achter zat. Ik vond hem eigenlijk een beetje zielig, want ik wist dat hij niks verdiende met de verkoop van zijn spullen en hij had dat zelf niet door. Ik hoorde namelijk dat hij mijn moeder altijd evenveel geld terug gaf als dat ze gegeven had: als zij betaalde met een briefje van 25, dan telde hij hardop: 8-9-10-20-25. Mijn moeder had ook niks door, want anders had ze er wel iets van gezegd–eerlijk als ze was -. Dus zei ik niets: mijn moeder moest al zoveel betalen en ik was bang dat haar geld op een dag op zou zijn. Ik koos voor mijn moeder en liet die arme SRV-man zitten. Dat was mijn eerste geheim.

Op school kwam daar nog een geheim bij. Na de liefste juf in de 1e klas kwam de oudste juf in de 2e. Ze was zo oud dat ik bang was dat ze dood zou gaan. Dus deed ik er alles aan om haar laatste jaar op aarde mooi te maken. Ik schreef voor haar op mijn mooist omdat ze altijd vroeg: ‘Wie maakt mijn dag goed en schrijft mooie aan-elkaar-letters?’ Dat leerden we namelijk in de 2e klas: aan elkaar schrijven. Alle letters die we in de 1e klas hadden geleerd moesten elkaar opeens ‘een handje geven’, zoals de juf het noemde. Ik vond het maar moeilijk, want sommige handjes zaten helemaal niet naast elkaar. Maar toch, ze roemde mijn schrijfkunst en ik was blij dat ze opleefde bij het zien van mijn letters. En ik deed nog meer: ik gaf haar postzegels uit de verste landen. Mijn vader reisde namelijk voor zijn werk de hele wereld over, en stuurde mij brieven met de mooiste postzegels. Mijn juf hield minutieus de reizen van mijn vader bij. Met elke postzegel die ik haar gaf vertelde ze in de klas een prachtig verhaal over dat land. Dan zag ik geen oude juf meer, maar was zij een Arabische prinses, een Braziliaanse buikdanseres of de beklimster van de Kilimanjaro.

Op een dag moest ik in de pauze naar de w.c. Ik liep naar binnen, langs onze klas, en hoorde iemand snikken onder het uitroepen van AUUUUOOOO. Ik stak mijn hoofd om de deur en zag mijn juf aan haar bureau zitten. Haar handen hielden haar hoofd vast om te voorkomen dat deze eraf zou vallen. Ik wist het gelijk: onze juf was aan het doodgaan. Geschrokken liep ik weer naar buiten, de vragen van mijn klasgenoten ontwijkend Wat is er met je? Waarom bleef je zo lang weg?  Ik liep naar een hoekje van het schoolplein, want ik moest een plan bedenken. Opeens herinnerde ik die ene postzegel, vergeten in het kleine borstzakje van mijn donkerblauwe blazer die ik die dag aan had. Opgelucht rende ik met de postzegel in mijn hand naar binnen. En toen lachte ze weer. Ik had haar leven gered.

Niemand mocht weten dat ze bijna dood was gegaan, anders werd ze misschien naar huis gestuurd en dan kon ik haar niet meer helpen. Mijn tweede geheim was geboren. Ik droeg mijn geheimen stilletjes en alleen. Het liefst zat ik in mijn tentje op het grasveld bij onze flat en las ik boeken. Dan vergat ik alles en iedereen en was ik gelukkig.

Toen leerde ik op school hoe je moet tellen als je geld in de winkel terug krijgt. Nog nooit had een rekenles voor zoveel opluchting gezorgd. En toen ik in de 3e klas een andere juf kreeg, zag ik dat mijn oude juf het ook zonder mij redde. Zo losten mijn geheimen op door het verstrijken van de tijd.

Ik had het geluk slechts kindergeheimen te hebben. Hoe ondraaglijk is een geheim dat niet geheeld wordt door de tijd? Dan komt het aan op moed verzamelen, wat soms een heel leven duurt. Totdat het genoeg is om het zwijgen te doorbreken.

SIGARET

Nu ik een hond heb begrijp ik opeens waarom mensen roken. Het kwam doordat ik tijdens een wandeling met mijn hond moest denken aan een verstokte rookster die ik ooit in behandeling had. Ze rookte al 30 jaar en kreeg na de diagnose longemfyseem van haar dokter het dwingende advies te stoppen met roken. Vastberaden bande ze de sigaret uit haar leven, maar met iedere dag die zij niet rookte raakte ze allengs depressiever.

Ik snapte dat niet: hoe kun je nu somber worden als je je doel bereikte? Ze begreep het zelf ook niet, want ze deed nog dezelfde dingen als voorheen: met de trein naar het Kröller-Muller Museum, wandelen op het strand, snuffelen op rommelmarkten in afgelegen dorpjes. Zo had ze heel veel mensen ontmoet, want sociaal was ze. Maar sinds zij de sigaret liet liggen waren haar uitjes niet meer dezelfde: stil liep zij op het strand, over rommelmarkten en door al die dorpjes.

Ze vertelde over haar uitjes door het hele land, over haar vriendinnen die haar steunden in haar strijd met de sigaret en ze was blij met haar herwonnen gezondheid. Toch er haperde iets, iets wat met het verbannen van de sigaret uit haar leven verloren was. En terwijl ze vertelde werd haar langzaam duidelijk waar het aan schortte. Overal en altijd had zij een aanleiding gehad om een gesprekje met een wildvreemde aan te knopen: de vraag om een vuurtje of het samen opsteken van een sigaret. Zo had zij elke dag vele spontane ontmoetingen, en altijd een praatje met een medemens. De sigaret was haar houvast geweest.

Ze zag nu dat ze de gesprekjes met al die onbekende mensen, van allerlei pluimage, miste. Ze werd er somber van, en bovendien onzeker. Hoe kon ze zonder sigaret een praatje aanknopen met Jan en Alleman? Haar pogingen strandden keer op keer, want iedereen had haast. Het deed haar zelfs concluderen dat rokers gezelliger en socialer zijn dan mensen zonder sigaret. En ook al bestreed ik haar conclusie met psychologische verve, ze bleef erbij.

En gisteren, tijdens mijn wandeling, begreep ik pas echt wat zij bedoelde. Ik betrapte mezelf op de gedachte dat hondenliefhebbers socialer zijn dan mensen zonder hart voor honden. Want overal waar ik ga met mijn hond blijft men staan en praten. Ook mensen van wie ik het niet verwacht. De norse vrouw krijgt een glimlach op haar gezicht bij het zien van mijn hond die heftig staat te kwispelen. De zakenman in pak laat zijn koffertje in de sneeuw vallen om mijn hond te knuffelen. En het wankelende oude echtpaar veert op bij het zien van mijn stuiterende hond. Ik hou hem kort aan de riem, bang om hen te laten vallen. De man kijkt mij verbaasd aan en vraagt of de hond hen niet begroeten mag.

Zo spreek ik op een dag meer mensen op straat dan voorheen gedurende een jaar. Ik leer mensen kennen die al jaren bij mij om de hoek wonen, maar die ik nooit zag. Blijkbaar had ik een hond nodig om mensen om mij heen te zien.

Gelukkig rook ik niet. Ik zou er nog verslaafd aan raken ook.

STILTE

Sinds kort verzamel ik stiltes. Het is begonnen na het lezen van het boek Schroder van Aimy Gaige. De hoofdpersoon noteert tijdens een lange autorit de stiltes om zich heen: het zwijgen van zijn dochtertje op de achterbank, de stilte die volgt op zijn sms-jes aan zijn ex, het moment tussen het overgaan van de telefoon en het opnemen van de ander. De stiltes probeert hij te verklaren met gedachten over wat deze zouden kunnen betekenen. Zo krijgt hij grip op de wereld om zich heen.

Ik stond versteld van al die stiltes die hij opmerkt. Het leek wel of er in mijn leven niet zoveel stiltes waren. Maar blijkbaar hebben stiltes aandacht nodig om gehoord te worden. Het gekke was namelijk dat ze me sinds het lezen van dat boek gingen opvallen. Aanvankelijk verzette ik me ertegen, want tja, ik wilde niet zoals de hoofdpersoon in Schroder zijn: gegijzeld in zijn wereld van hersenspinsels. Maar zoals het onmogelijk is om NIET aan een roze olifant te denken als je wanhopig probeert het plaatje ervan uit je hersenen te bannen, zo drongen de stiltes zich aan me op. Ze vulden zich met  gevoelens en gedachten die ik nooit eerder had. Dus kan ik niet anders dan er over schrijven: die stiltes moet ik kwijt.

Zoals de stilte in de nacht. Nooit eerder had ik die ervaren, omdat ik bezig was met mijn zorgen als ik niet kon slapen, met het voeren van gesprekken tot diep in de nacht, met kinderen die me wakker hielden. Maar vannacht hoorde ik het: op de scheidslijn van de oude en de nieuwe dag gonsde de stilte in mijn oren. Een moment waarin ik leek te verdrinken, alsof hoofd en lichaam niet bestaan. Ik kende het alleen van diepe concentratie. In dit vacuüm van geluid was het ook stil in mij.

En dat was een vreemd gevoel. Omdat stilte voor mij altijd iets was geweest om niet te willen: de dreigende stilte in de klas voordat mijn juf losbarstte in een preek, de beklemmende stilte in een gesprek als ik niet wist wat te zeggen, de gespannen stilte tijdens een examen. Die stiltes dwongen mij te zwijgen of juist te spreken als ik het niet wou. Er woedde dan een strijd in mij, niet wetend hoe de stilte te verdragen.

Maar nu zijn het die andere stiltes die ik opmerk. De stiltes die je dragen, zoals die in de nacht. En ook die van de liefde die geen woorden nodig heeft. De blik van mijn geliefde betekent meer dan woorden als ‘ik hou van jou’. Het zijn de stiltes, die ons wezenlijk verbinden.

Opeens realiseer ik mij hoe ik jaren terug een goede vriend heb kunnen troosten na het dodelijk ongeluk van zijn kleine broer. Elk woord leek te licht voor zijn immense verdriet. Het haperde in mij: ik wist niet wat te zeggen. Maar in de woordeloosheid gebeurde meer dan in alle woorden bij elkaar.

PUPPYWIJSHEID

De wereld is angstaanjagend groot voor mijn puppy. Opeens zat hij –amper 8 weken oud- moederziel alleen in een stad vol rare geluiden, aparte geuren en vreemde vogels. En dat terwijl hij de eerste weken van zijn leven alleen maar hond hoefde zijn: drinken bij zijn moeder, ravotten met zijn broertjes en zusjes, plassen waar hij wilde. Nu moet hij luisteren naar de naam Charlie, op commando zitten en is bijten uit den boze. En het ergste is het lopen aan de riem – totdat hij een plasje heeft gedaan.

Want dat laatste kan Charlie niet: hij kan pas zijn behoefte doen als hij ontspannen is. En ‘buiten’ staat gelijk aan spanning. Alles is nieuw en vreemd: geluiden, geuren, en heel veel dat beweegt. Charlie heeft al zijn aandacht nodig om dit alles te verwerken. Een plasje zit er dus niet in.

Als psycholoog zou ik het wel weten: een ademhalingsoefening om te ontspannen, geruststellende gedachten om de angst te beteugelen en een stappenplan om situaties te trotseren. Maar als baas sta ik aan de grond genageld: mijn hond verstaat mij niet. Hoe ik hem ook probeer te helpen –een zacht rukje aan de riem, een verleidelijk brokje voor zijn neus, lieve woordjes in zijn oor- het werkt niet. De wereld blijft Charlie overweldigen. Dus zit er voor mij niks anders op dan met hem mee te wachten. Wachten tot de storm is geluwd.

IMG_3835IMG_3837

Zo doorstaan we vele stormen. De ergste zijn de Kliko-bakken en opgevoerde brommertjes. Dan raakt Charlie volledig in paniek: eerst rukt hij aan de riem alsof hij wordt vermoord, vervolgens staat hij hard te piepen en kijkt mij smekend aan, en tenslotte gaat hij zitten en wacht. Hij wacht totdat de storm in zijn lijf gaat liggen. Zo doet Charlie het werk en wacht ik aan zijn zijde. Zodra hij weer kwispelend mijn brokje accepteert weet ik dat het goed is.

En dat is mooi om te zien. Want ik zie mijn puppy stoerder worden: hij blaft nu tegen Kliko-bakken en treedt de jongens op brommertjes met opgeheven staart tegemoet. En schrikken van een auto doet hij allang niet meer; hij is immers puppy-af. Charlie heeft nu zelfs tijd om intensief te snuffelen en sporen te doorkruisen met zijn eigen spoor: zijn plasjes hebben een bestemming gevonden.

Als baas doet mij dit zeker goed. En als psycholoog heb ik in Charlie een rolmodel voor mijn cliënten gevonden. Want toen ik dit vertelde aan een cliënt die met paniekaanvallen vecht, viel bij hem opeens het kwartje. Hij besefte dat hij dat puppy was met een baas die alleen maar aan zijn riem trok, dwars door alle angsten heen. Hij zag nu hoe het anders kon.

Ik zie hoe de vechtlust in deze man stapje voor stapje plaats maakt voor zelfverzekerde kalmte. Hij sleurt zichzelf niet meer door zijn paniekaanvallen heen. Nu blijft hij staan als angst hem overvalt, en observeert wat er in zichzelf en om hem heen gebeurt. Pas als hij rustig is geworden vervolgt hij zijn weg. Stap voor stap krijgt hij zijn leven terug.

Dat puppy’s wijsheid in zich hebben wist ik eigenlijk wel. Ik zie het ook bij baby’s. Ergens onderweg raken we als mens die aangeboren wijsheid kwijt. Ons denken neemt het over, onze intuïtie laat ons in de steek. En niet altijd is dat erg, alleen als emoties overweldigend zijn.

Charlie wordt vast en zeker een goede therapeut. Hij weet het alleen zelf nog niet. En eigenlijk maakt het hem ook niet uit. Hij wil de wereld leren kennen, die eindeloos groot aan zijn voeten ligt.

 

HOND

Als kind al wilde ik een hond. Ik geloof dat ik met die wens geboren ben. Zodra ik kon schrijven zette ik bovenaan mijn verlanglijstje: H O N D

Mijn ouders dachten dat het wel over zou gaan, dat het net zoiets was als met alle andere kinderwensen: het ene jaar zijn Barbies in, het andere jaar Ministeck, en het jaar daarna is alles stom. En inderdaad, mijn verlanglijstjes wisselden elk jaar heftig van wensen, maar de hond bleef er trouw op staan.

Na 10 jaar begrepen mijn ouders dat het toch een Echte Wens van mij moest zijn. En binnen een week was er een hond, een Dalmatiër, want áls er een hond moest komen moest het wel een mooie zijn.

Jerry was de hond van ons gezin, maar ik was uitverkoren als baasje. Hij volgde mij overal, hij sliep op de stoel in mijn kamer als ik studeerde, hij lag aan mijn voeten als ik televisie keek. Hij volgde ook mijn wel en wee op de voet. En dat was er veel in mij als puber. Het leven van mijn hond viel niet mee.

Op mijn 19e ging ik op kamers voor mijn studie in Leiden. En ook al kon ik mijn hond niet missen, het moest: op en neer reizen was geen optie. Bij Jerry drong dit allemaal niet meteen door: elke middag om half 4, het tijdstip waarop ik altijd uit school kwam, stond hij met zijn poten op de het tafeltje bij het raam naar buiten te kijken. Eerst verwachtingsvol, na een uur ongeduldig, en na nog een uur droop hij verdrietig af naar zijn mand. Met blik op oneindig en hoop op mij stond hij drie maanden lang op wacht. Toen gaf hij op en werd mijn moeder de gelukkige baas.

Jerry werd 9 jaar oud, maar mijn verlangen naar een hond werd ouder. Maar het kon niet, met een full-time studie en daarna een nog vollere baan. Ik bleef mijn wens uitstellen tot ‘later’. Later, als ik in een echt huis zou wonen, later, als we kinderen zouden hebben, later kon het altijd nog.

Ik trouwde en kreeg kinderen. Maar de hond kwam er niet, vanwege allergie. Met de komst van de Australische Labradoodle, een hypo-allergene hond, laaide mijn wens hoog op. De werkelijkheid smoorde haar in de kiem: nog steeds een full-time baan en de kinderen heel de dag op school. De hond stopte ik dus maar in het doosje op mijn kamer waarop stond: VOOR LATER. Mijn pensioen leek mij een mooie gelegenheid.

Zo had ik de hond uit mijn hoofd gezet. Maar in mijn hart bleef hij opspelen. En toen ik vorig jaar in China ging wonen was er geen houden meer aan. Ik dacht dat er geen honden in China zouden zijn, immers, honden staan daar op het menu. Maar het wemelde daar van de honden, als huisdier en als zwerver. En ik zag ze allemaal.

En toen was daar die foto in de lokale supermarkt:IMG_1227

Buddha was zijn naam. En Buddha was een ‘non-allergic dog’ en bovendien precies zoals een hond moet zijn: knuffelig en speels. Het had een haartje gescheeld of Buddha was bij ons gekomen. Toch was ons hoofd verstandig en zeiden we ‘nee’: een hond en veel reizen gaan niet samen. Maar in ons hart was de wens een voornemen geworden. En die ging mee naar Nederland.

IMG_3820

Daar zit hij dan: mijn langgekoesterde wens. Een Australische Labradoodle die nog niet luistert naar de naam Charlie. Maar Charlie moest hij heten, zo is in ons gezin democratisch beslist: grappig, vrolijk en gemakkelijk te roepen. In stilte noem ik hem Buddha, als eerbetoon aan zijn bijna-voorganger in China. Maar mijn gezin heeft gelijk: Charlie is geen Buddha. Charlie is op en top hond, die je begroet alsof hij je jarenlang niet gezien heeft, die zijn eten luidruchtig naar binnen schrokt, die gasten ongegeneerd op plekken besnuffelt waar ik niet eens naar durf te kijken, die door alle plassen spettert en stinkt naar hond. Niks boeddhistisch-spiritueels aan.

Hij kwam er niet zomaar. Daar gingen hier in huis heel wat gesprekken aan vooraf. Want een beslissing voor een hond is een ‘lifelong commitment’, misschien nog wel meer dan met kinderen. Want kinderen worden zelfstandig, maar honden blijven afhankelijk. Je kunt ze niet leren zichzelf eten te geven of in hun eentje een rondje te lopen. Eens een baas altijd een baas. Waarom zou ik dat willen? Ik geloof dat ik sommige dingen niet moet willen verklaren. En gelukkig maar: het is nu te laat. Charlie is niet van plan om weg te gaan. Hij blijft zitten waar hij zit. Zoveel boeddha is hij dan weer wel.