LEVEN LANGS EEN LIJNTJE

Ik leerde lopen langs een lijntje. Het verhaal gaat dat ik mij als dreumes vast hield aan een touwtje toen ik mijn eerste stapjes zette. Aan het ene uiteinde stond mijn vader, aan het andere mijn moeder. Vele meters legde ik tussen hen af, maar alleen als het draadje tussen hen gespannen was. Zodra mijn ouders mij zonder houvast neerzetten, verloor ik mijn evenwicht. Het gekke was dat dit zo bleef: zonder touwtje verzette ik geen stap. En toen verzonnen zij een experiment: zij zouden tegelijk het touwtje loslaten om te zien of ik het nog echt nodig had. Mijn moeder dacht van wel, mijn vader dacht van niet.

Maar geen van beiden kreeg gelijk: zonder aarzeling of wankeling stapte ik door, het touwtje stevig in mijn knuistje geklemd. Wat zonder touwtje niet lukte, lukte wel met het geloof dat het draadje mij hielp. Het psychologisch houvast wierp zelfs op die jonge leeftijd zijn vruchten af. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat allebei mijn ouders het goed zagen: ik kon lopen, maar had nog een mentaal steuntje nodig.

Toen ik ouder werd merkte ik vaker dat steun vooral een psychologisch effect had. Zo had ik al jaren zelfstandig gewoond, maar toen ik 9000 kilometer ver weg woonde in Los Angeles, leek er elke dag wel iets langs te komen waar ik mijn ouders voor nodig had. Ook in mijn werk als psycholoog zag ik hoe dit werkte bij het afsluiten van de therapie: alleen al het idee dat men bij mij terug kon komen als het slechter ging, zorgde ervoor dat ze mij niet meer nodig hebben.

Ik denk dat iedereen lijntjes van houvast nodig heeft om zich staande te houden in het leven. Maar sommige mensen hebben dat gevonden in iets wat ze liever niet hebben, maar niet los kunnen laten. Zo hoorde ik onlangs het verhaal van Mandy Verleijsdonk*, een 26-jarige studente psychologie. Haar leven wordt geleid door dwang: zij komt haar dagen door met lijstjes, die haar vertellen wat te doen. Zonder dwang zou zij haar bed niet meer verlaten. Het is haar redding, maar tegelijkertijd haar doem.

Ze raakte me omdat haar verhaal zo gewoon klonk. Alsof het voor iedereen zou kunnen gelden. Ik ging bijna geloven dat er niets met haar aan de hand was. En eigenlijk is dat ook zo: deze studente heeft net als iedereen verlangens, angsten en de behoefte om het leven zin te geven. Ze doet dingen zoals jij en ik: fietsen, kleren kopen, een drankje drinken op een terras, genieten van de herfstzon. En ook haar reden om op te staan verschilt niet eens zo veel van die van ieder ander: je staat op omdat je kinderen naar school moeten, je werkdag begint of je vriendin haar verjaardag viert. De reden die je hebt om op te staan geeft zin aan je bestaan. En als dat niet zo is, dan zoek je net zo lang naar wat jouw leven zinvol maakt. Tot die tijd hou je het touwtje stevig vast, ook als het niet verbonden is. Net als Mandy.

Wat zou er gebeurd zijn als mijn ouders het touwtje hadden afgepakt? Was ik van schrik op de grond neergeploft om nooit meer op te staan? Of zou ik ter plekke het vertrouwen in eigen kunnen hebben gevonden? We zullen het nooit weten, maar de kans is groot dat ik hard geprotesteerd zou hebben, omdat een ander had besloten dat ik het nu wel kon. Het zelfbeschikkingsrecht is diep geworteld in de mens. En daarom haat Mandy haar dwang: het voelt alsof ze zelf niets te zeggen heeft.

Met of zonder dwang, Mandy komt er wel. Haar vastberadenheid is sterker dan haar dwang, haar kwetsbaarheid doet mensen aan haar binden. Want kwetsbaar is ze: je verhaal vertellen voor een groot publiek vraagt moed. En moedige mensen winnen in het leven.

 

*Mandy is ambassadeur van het Fonds Psychische Gezondheid. Met haar verhaal wil ze het taboe dat nog steeds heerst rondom psychische problemen doorbreken. Zie: https://www.youtube.com/watch?v=QUYTbzBwyk8

RESERVETIJD

Zin in Leiden

Ooit stond er op de hoek van de Nieuwe Rijn en de Vestestraat in Leiden een bankje met daarboven in uitgezaagde zilverkleurige schrijfletters:

Ik vind het altijd zo heerlijk als dingen niet doorgaan…*

Het was vlakbij mijn praktijk op de Herengracht, dus ging ik er wel eens zitten als een afspraak niet door ging. Precies op dat bankje. Omdat het ervoor gemaakt was. En ik genoot niet alleen van dat bankje met dat uitzicht over de Leidse grachten, maar ik was me vooral zo intens bewust van dat vrije uurtje.

Het was niet omdat ik mijn werk niet leuk vond. Of omdat mijn agenda zo vol gepland stond dat ik deze afgezegde uurtjes nodig had om op adem te komen. Het leek om iets anders te gaan.

Ik denk dat het de tijd is die je denkt kwijt te zijn maar toch weer terug krijgt. De vrijgekomen tijd heeft opeens meer waarde gekregen. Het is hetzelfde als wanneer je denkt dat je iets verloren bent en tijdens het zoeken je realiseert hoe belangrijk het voor je was.

Zou dit ook opgaan als je het einde van je leven ziet naderen? Zoals mensen zeggen die de dood in de ogen kijken: “Ik weet nu wat het leven waard is”. Het lijkt alsof ze zich dan opeens realiseren wat ze gaan missen. Vervolgens gaan ze datgene doen wat ze altijd al wilden, maar niet deden omdat ze er geen tijd voor hadden. Dromen die al jaren sluimerden worden met korte metten waar gemaakt.

Ik las dit in de verhalen van mensen in hun laatste levensfase**. Hun bucketlist bestaat uit wensen die je vaker hoort, zoals tussen de dolfijnen zwemmen, een luchtballonvaart maken, de Mont Blanc beklimmen. Maar ook de kleine dingen van het leven staan erop, zoals knutselen met de kinderen, elkaar verhalen van vroeger vertellen, contact opnemen met uit het oog verloren mensen.  Verbondenheid, met natuur of medemens, is wat mensen wensen, aan het einde van hun bestaan. Het is de innige omhelzing met het leven wat de dood draaglijk maakt.

Eigenlijk willen we dat allemaal: onze dromen waar maken, intens genieten, ons leven leiden zoals we willen. Maar altijd weer leidt de drukte van het bestaan ons af. Hoe vaak je je ook voorneemt om meer tijd vrij te maken voor de waardevolle dingen van het leven, het lukt je hoogstens even. Kennelijk kun je pas anders leven als je werkelijk in reservetijd leeft.

Zoals ik dat vrije uurtje alleen maar intens kon beleven, omdat ik me bewust was van mijn vrijgekomen tijd. Hoe anders voelden alle vrije uren, die niet eerst opgevuld waren met afspraken en plicht?

Het bankje met het opschrift staat er niet meer. Het verhaal gaat dat iemand zich ergerde aan het woordje niet en het probeerde weg te halen. Maar het niet was sterker dan hij. Dat maakte hem zo boos dat hij alle woorden tot zich nam. Sindsdien is die muur leeg en is het bankje een gewoon bankje geworden, dat zomaar overal kan staan.

Maar ik miste het bankje dat mijn tijd markeerde. En vandaag wist ik wat ik moest doen. Ik schreef in mijn agenda afspraken met mensen die niet bestaan. Wanneer het tijdstip daar is ga ik zitten op mijn eigen bankje voor mijn huis.

Ik zie de herfst komen. Het herinnert mij aan vrijgekomen tijd.

 

*ontworpen door kunstenares Simone de Jong

**Het laatste woord – de kunst van leven met de dood– Gijsbert van Es (red.) (2013)

ALTIJD VAKANTIE

“Als je aan vakantie toe bent, leef je je leven niet goed”. Godfried Bomans schreef het ooit, en het is me altijd bij gebleven. Ik leefde mijn leven niet goed, want ik had altijd het gevoel dat ik aan vakantie toe was. Maar ik vierde mijn vakanties ook niet goed, want eenmaal thuis gekomen kon ik de rust en wereldse uitzichten niet langer dan één dag vast houden.

Ik begreep wel wat hij bedoelde. Je werkt te hard als je een vakantie nodig hebt om uit te rusten. Het is de kunst om zo te leven dat er balans is tussen inspanning en ontspanning. De psycholoog in mij snapt het allemaal wel. Maar als mens heb ik het er maar moeilijk mee. Een levenslange oefening, met elk jaar weer hetzelfde voornemen: ‘Vanaf nu ga ik niet meer zoveel inplannen’. Maar de afspraken leken als vanzelf in mijn agenda terecht te komen, zoals de wasmand altijd vol raakt, een eindeloos gevecht. Met het verstrijken van de jaren vervloog de hoop op meer rust in mijn leven.

In mijn ogen was Godfried Bomans een oude man, maar nu realiseer ik mij dat hij toen even oud moet zijn geweest als ik nu ben. Hij zag er uit zoals alle mannen uit de jaren 60: oud voordat ze jong waren geweest. Ik wilde hem niet als rolmodel, dus drukte ik zijn zinnen uit mij weg. Toch bleven zijn woorden zich aan mij opdringen, vooral hoe hij beschreef zijn leven te leiden. Hij vertrok altijd een half uur te vroeg naar een afspraak. Zo had hij onderweg de tijd om een praatje te maken met de stratenmaker of een omweg te nemen om zijn stad op een andere manier te leren kennen. Ook voorkwam hij op deze manier dat onverwachte gebeurtenissen, zoals een lekke band of een verlate trein, hem hinderden. Altijd op tijd en toch tijd over. Stiekem was hij mijn held, maar ik luisterde niet naar hem. Ik vond het zonde van mijn tijd. En als ik het een keer toch deed, dan was het resultaat dat ik een half uur te vroeg op mijn afspraak arriveerde. Ik kwam onderweg nooit die stratenmaker tegen en een omweg in de regen was aan mij niet besteed. Bovendien leken mensen altijd te laat te komen, zodat ik me alleen maar zat op te winden als ik dan nog eens extra lang moest wachten. Godfried kon het mooi vertellen, maar het leven zat voor mij zo niet in elkaar.

Totdat ik een mevrouw met een burn-out in therapie kreeg. Hoog opgeleid, een drukke baan met teveel verantwoordelijkheden, en klem gezet door fusies en bureaucratie. Ze kon het aan; ze was slim en haar medewerkers droegen haar op handen. Maar toen ze oma werd ging het mis. Verscheurd door plichten en gevoelens kwam ze thuis te zitten. Als jonge psycholoog voelde ik mij te weinig toegerust om haar tot steun te zijn. Maar het deerde haar niet; alles wat ze nodig had was iemand die haar aan het handje nam. Zo liet zij zich door haar leven leiden, van haar jeugd in oorlogsjaren via haar vechtscheiding naar het bedrijf waarin zij groot geworden was. Haar levensverhaal deed haar goed: ze voelde weer hoe sterk ze was. Maar wat ze wilde leren was hoe te leven als er niets te vechten viel.

Elke dag maakte ze een wandeling met haar kleinkind. Het kleine ventje dribbelde voor haar uit en stond stil bij elk steentje, spinnetje of bloemetje dat ze onderweg tegen kwamen. En dat waren er veel. Dus moest ze heel vaak stoppen. Ze kreeg steentjes in haar handen geduwd die allemaal allemaal te mooi waren om op straat te laten liggen. Ze zag bloemen die ze niet kende. En ze betrad het rijk van de kleine beestjes, die hun bestaan danken aan al die kinderen die hen op handen dragen. Het plankje voor de sleutels in haar hal had al snel een andere bestemming gekregen: al die steentjes en bloemetjes en schelpjes verdienden een plekje. Haar kleinzoon was daar heel streng in, en zij volgde zijn orders op.

Ik volgde haar op de voet en zag hoe de wandelingen haar dagen kleur gaven. Haar ogen gingen stralen, haar huid ontspande zich. Haar verhaal kreeg gevoelens die zij voorheen niet kende. En ik was er getuige van hoe ze weer leerde leven, met haar kleinzoon aan haar hand.

Ik weet haar naam niet meer, maar haar verhaal heeft zich in mij genesteld. Met haar als voorbeeld hoef ik me niet voor te nemen anders te leven. Als ik naar een afspraak ga vertraagt mijn pas zich als vanzelf en zie ik overal oma’s met kleinkinderen lopen. In gedachten loop ik met hen mee en zie hoe de wolken zich vormen tot dolfijnen die de blauwe hemel veroveren. Ik kijk door mijn oogharen naar het weiland waar ik langs fiets: de kleuren en lijnen leiden mijn blik af van de klok. Het jongetje achterop de fiets voor mij kijkt mij iets te lang aan. Dan slaat hij de armen om de middel van zijn moeder. Ze pakt zijn hand en knijpt er in. Ik waan mij 15 jaar terug en voel weer hoe zacht kinderhandjes kunnen zijn.

Zo vakantie kan het altijd zijn.

ZOMER THUIS

In de zomervakantie wil ik weg; de zomer staat voor mij gelijk aan reizen. Nog nooit ben ik in die maanden thuis gebleven. In mijn beleving kijkt iedereen het hele jaar uit naar de zomer, die ongeduldig ligt te lonken met beloftes over verre reizen en nieuwe landen. Als mensen niet op vakantie gaan dan is dat altijd omdat ze niet weg kunnen: zwangerschap, ziekte, geen geld. Blijkbaar heb je een reden nodig om thuis te blijven in de zomer.

Dit jaar blijf ik voor het eerst in mijn leven thuis. En dat heeft natuurlijk een reden: in het afgelopen jaar hebben we veel gereisd, genoeg voor vier vakanties. De foto’s verzekeren mij ervan dat ik er echt ben geweest. Ik heb de zomer nodig om weer te landen.

Inmiddels is de zomervakantie drie weken op weg. De vakantiebestemmingen van vrienden, familie en buren vliegen me om de oren. Ons sleutelpotje puilt uit van alle sleutels die ik in bezit heb om planten, konijnen en vuilnisbakken te verzorgen. Elke dag voel ik me grootgrondbezitter, wanneer ik als ‘landlady’ mijn ronde doe. Alleen de meeuwen wonen nog in mijn straat. Ze vliegen laag over mij heen, alsof ze mij willen beschermen. En ook al snap ik niet waartegen, de kust komt zo wel heel dichtbij. Als ik mijn ogen dicht doe, ruik ik de zoute zeelucht. Lang duurt dat niet, want dan dringt de ware reden van hun gekrijs tot me door. Het jong is uit het nest gevallen en de moederliefde ligt op straat. Behoedzaam loop ik eromheen, ik voel de ogen van de ouders prikken.

Deze week lijkt het of iedereen op vakantie is: de vroege vakantiegangers zijn nog weg, de late zijn net vertrokken. Dus bestaat Oegstgeest uit mensen die de zomervakantie thuis blijven. Mijn woonplaats is zichzelf niet meer: van een verlengd Leiden met stadsdrukte is zij veranderd in een dorp waar iedereen elkaar groet. Het is alsof iedere groet een blijk van herkenning in zich heeft “Wat fijn dat U ook thuis blijft deze zomer!” Af en toe meen ik zelfs een bemoedigend knikje in een groet te bespeuren, alsof we allemaal hetzelfde leed delen. De zucht naar verbintenis zweeft door de straten. En ik doe eraan mee. Ik zie mensen die ik al jaren ken een gezicht krijgen. Oegstgeest vertelt haar verhaal.

Ook mijn huis voelt anders deze zomervakantie. Zo zonder dagelijkse structuur en verplichtingen van school en werk is ze ruim en stil geworden. Mijn tuin bloeit op tot zomerse proporties. Ik mis niks van haar dagelijks ontwaken. Het zevenblad smoor ik in de kiem voordat het wortel schiet. De akkerwinde geef ik geen kans om mijn planten te strikken. Ja, zelfs ik ben anders; de zwoele zomer huist in mijn lijf. Ook zonder zon voel ik mij loom en tevreden. Langzaam dringt het vakantiegevoel tot me door.

De enige die niet in mijn zomer past is onze postbode. Hij is zoals hij altijd is: alsof de lente ter plekke uitbarst. Het leven is voor hem een feest. En dan niet zo’n lal-en bralfeest, maar een feestig feest, waar iedereen naar heeft uit gekeken, zich op zijn mooist voor heeft opgedoft en dat een zekere plechtigheid over zich heeft. Zo’n feest dat je nu al wilt bewaren in het mooiste doosje dat je in huis hebt. Dat straalt hij uit. Maar vandaag past dat niet in mijn zomerse gevoel, dat niet uitbundig is, maar het leven neemt zoals het komt.

Hij trekt zich er niks van aan. Al jaren bezorgt hij de pakjes met nog steeds zoveel enthousiasme dat ik me afvraag of hij weet heeft van de seizoenen. Zelfs in de stromende regen springt hij met een zwaai zijn busje uit. Hij belt zo uitgelaten aan dat ik telkens weer denk dat ik de hoofdprijs in de Postcodeloterij heb gewonnen, terwijl ik daar niet eens aan mee doe. Als ik open doe gaat hij rechtop staan en zegt met plechtige stem: “Ik heb een Pakje voor Uw Dochter”. De wereld staat dan even stil, een seconde lang draagt de lucht zijn stem. En als zijn stem bij mij is aangekomen, realiseer ik mij dat dit weer het zoveelste pakje van de H&M is en dat zij door haar zakgeld heen is. Maar ik kan niet boos op hem worden; zijn blijdschap doet mijn ergernis smelten. En sinds gisteren weet ik waarom hij de baan van zijn leven heeft. Hij had de deur van zijn busje open staan en ik hoorde hoe Freddy Mercury zich over gaf aan Don’t stop me nooooooow! De woorden vermengden zich met verse sigarettenrook en voor ik het wist was hij alweer op weg naar de volgende stop. Daar ging hij: in zijn rijdende huisje, voortgedreven door ritme en klanken. Op het hoogtepunt springt hij er uit om het applaus in ontvangst te nemen, wanneer hij het pakje met een buiging aanbiedt. Kou, regen, files en agressieve weggebruikers deren hem niet. De muziek vervoert hem, en hij verdient er nog geld mee ook.

“Het leven is een feest”, zei mijn oma altijd, “maar je moet zelf de slingers ophangen”. Ik vond dat altijd zo zuur en verongelijkt klinken, maar misschien komt dat doordat ik geen slingers op kan hangen: de eerste slinger springt altijd van het haakje als ik de tweede net opgehangen heb. Als ik denk aan mijn postbode dan snap ik wel wat mijn oma bedoelde: je krijgt veel pakjes in je leven, maar alleen ik ben degene die het als kadootje kan aannemen.

WAAROM IK SCHRIJF

Ik schreef altijd al verhalen. Maar ze bleven in mijn hoofd, omdat ik het te druk had om ze op te schrijven. Altijd dacht ik: ‘Het komt nog wel, later schrijf ik ze op’. En het werd later, maar de verhalen kwamen er niet. Nog steeds had ik het te druk, met alles wat een mens moet doen.

Als een sneltrein ging ik door het leven. Zo kwam ik ver, zag ik veel van de wereld en ontmoette ik interessante mensen. Er was geen tijd om uit te stappen en rond te kijken. Toch vond ik dat niet erg: ik hield van treinen, vooral van snelle. En die tussenstationnetjes konden wel wachten, tot later, als ik alles bereikt had wat ik wilde.

Op een dag ging de reis naar China, een enkele reis met eindstation. In Peking moest ik zijn, zonder agenda en lijstjes met ‘to do’. Ik had er zin in, want dit was het ‘later’ waarnaar ik had verlangd. Nu was er geen overstap meer die ik niet mocht missen noch een sneltrein die ik moest halen. Ik zat in de stoptrein, die niet alleen stopt op alle stations, maar ook ertussenin. Zoals die keer dat we opeens midden in een stadje stil hielden. Er stond een draak op de rails, die ons vervaarlijk aan keek. Zijn lijf kronkelde van dreiging, de ogen spuwden vuur, en scherpe tanden staken stevig uit zijn bek. Hij schudde woest zijn grote kop, alsof hij het leed van de wereld van zich afschudde. Zijn lijf volgde trillend, op de slagen van de trom. Ik dacht dat ik droomde, maar het bleek Chinees Nieuwjaar te zijn. En dan staat de tijd in China stil, samen met de mensen en machines. De traditie wordt gehoorzaamd, met respect en vreugdedans. Dus daar ook, zomaar middenin dat stadje. Toen alle kwade geesten verdreven waren zette de trein zich weer in beweging. En niemand die klaagde over het onverwachte oponthoud. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was. En dat was het ook.

Het is fijn in de stoptrein. Niet dat het minder druk is dan in de sneltrein; er wordt net zo veel gepraat, gelachen, gegeten en gedronken. En er wordt even zo gemopperd en geroddeld, getelefoneerd, gegoogled en getwitterd. Want ook deze trein heeft internet, en even snel als in de intercity. Het enige wat anders is, zijn de vele tussenstations. Ik wil overal uitstappen, om het verhaal dat in mijn hoofd zit eruit te laten. Een verhaal van onderweg. Want onderweg is veel te zien en te beleven. Ja, schrijven wil ik, om niet te vergeten.

En ik wil anderen vertellen wat ik heb gezien. Er zijn altijd mensen die in een sneltrein voorbij razen. Omdat ze ergens op tijd moeten zijn, of iets belangrijks willen doen wat niet kan wachten. Of gewoon omdat ze snelle treinen leuker vinden. En dat is goed. Want anders zouden al die intercity’s en sprinters nodeloos in het station blijven staan. Dan zou niemand meer verre oorden bereiken.

Mijn verhalen heb ik nodig. Om uit te vinden wat er in mij leeft. Ik wil het leven vangen in woorden die ik nog niet had. In het zoeken naar woorden staat de tijd stil. Het is de pauze in het leven die ik niet wil missen.

En daarom blijf ik schrijven.

 

AFSCHEID

Dit is mijn laatste blog vanuit China. Morgen vertrekken we voorgoed naar Nederland.

Het afscheid nemen valt mij zwaar, omdat ik weet dat het definitief is. Ik kom hier niet meer terug, misschien voor een vakantie, maar niet meer om te wonen. Dus weet ik dat ik de mensen hier nooit meer terug zie. Ik moet huilen als we afscheid nemen van onze chauffeur, Sun Li, die ons niet alleen overal heen reed, maar ook onze gids was door het China van alledag, met haar chaos en onlogica. Ik laat een traan als ik Norman, de opzichter van de werkmannen, de laatste keer de hand schudt: hij was mijn redder in nood als het water me aan de lippen stond: wc’s die overstroomden, lampen die knalden, mieren die ons huis overmeesterden. Ja, zelfs toen ik voor de laatste keer door de zijpoort ging, moest ik een brok in mijn keel weg slikken toen ik mijn lievelingsbewaker daar achter liet.

‘Dan nodig je Sun Li toch uit voor een vakantie in Nederland?’ stelde mijn man voor, die mij niet kan zien lijden. Even lichtte mijn hart op, maar toen wist ik dat dat niet zou helpen. Het zou zelfs niet helpen als hij samen met Norman en die bewaker zou komen. Mijn verdriet zit ‘m in dat ik afscheid moet nemen van China met haar Chinezen. En in dit verdriet zit het wrange gevoel dat hun leven zoveel slechter is als dat van ons. Althans, dat denk ik. Maar misschien vertroebelt mijn Westerse blik mijn oordeel. Want als ik naar de bewaker aan de zijpoort kijk dan zie ik het tegendeel: als er iemand is die plezier heeft in zijn werk dan is hij het wel. Elke dag ga ik door zijn poort en groet hij alsof hij mij jaren niet heeft gezien. En altijd zegt hij iets liefs in het Chinees. Ik heb geen idee wat, maar hij kijkt mij er zo liefdevol bij aan, dat het wel iets fijns moet zijn. En op een dag hoor ik dat hij met Engelse les is begonnen, want opeens zegt hij iets in het Engels, op z’n Chinees: ‘Have A nice day!’ Met de nadruk op A geeft hij het kleine macht.

Mijn melancholieke gevoel doet me denken aan vakanties, vooral die in Italië. Dan kruipen mijn tranen ook naar boven zodra het afscheid nadert. Het is weemoed vermengd met iets blijs. En dat blije is dat ik weer naar huis ga. Maar eerst moet ik nog die laatste dagen door: mijn heimwee naar die vakantieplek begint dan al. Ik loop voor de laatste keer langs het bakkertje met die aardige mevrouw, die speciaal voor mij zoete broodjes bakte. En langs het boertje op de hoek die elke dag eieren van zijn kip bracht, zo trots als een pauw. Ik drink nog één keer die lekkere cappuccino op het terrasje in het dorp. De Italiaanse ober kijkt mij aan, zoals alleen Italianen dat kunnen. Ook hem zal ik missen. Ik weet het, het gaat niet om hem, het boertje en de bakkersvrouw. Het gaat om de vakantie die ik dorstig tot mij nam. Ik wil de zon blijven zien boven de Toscaanse heuvels, ik wil de vrijheid van het leven blijven voelen in mijn lijf, ik wil het dorpsgevoel niet kwijt. En ook al neem ik elk jaar mijn voornemen om mijn vakantiegevoel vast te blijven houden in mijn koffer huiswaarts mee, ik weet het al: het lukt me niet.

Voor mij lijken vakanties op theater: de voorstelling die je zag komt nooit meer terug. Want ook al spelen dezelfde acteurs dezelfde rollen en zeggen zij dezelfde zinnen, elke voorstelling is anders. En dat is dan ook wat vakantie voor mij is: deze komt nooit meer terug. En mijn weemoed zit ‘m in het eenmalige: te weten dat dit eens was maar nooit weer. Ik begrijp nu ook een kunstenaar als Anish Kapoor, die zijn kunstwerk elke expositie weer op- en afbouwt. Het eenmalige is onderdeel van zijn kunst: je hebt iets gezien wat nooit meer door iemand op die manier gezien wordt. Dat maakt een ervaring speciaal, want het was ‘for your eyes only’.

En dat is het: China was er speciaal voor mij, het afgelopen jaar. Het was eenmalig, want eenzelfde ervaring krijg ik nooit meer. Ik kan het niet bewaren, zoals ik mooie stenen in een doosje bewaar. Nog een jaar blijven betekent niet dat ik de ervaring nog eens kan beleven. En daarom moet Sun Li niet naar Nederland komen: hij kan daardoor mijn China-ervaring niet terugbrengen.

Dus eigenlijk zou je kunnen zeggen dat ik alleen afscheid neem van een periode in mijn leven die in China ligt. En dat voelt minder zwaar. Deze ervaring heeft mij verrijkt en veranderd, net als elke vakantie dat een beetje doet. En dat hoef je niet mee te nemen, want het zit al in je.

Zo is het ook met geluk: je kunt het niet vangen, afdwingen of maken. Geluk raakt je als je het niet zoekt. En op een dag merk je: nu voel ik me gelukkig, waar ter wereld ik ook ben.

HAAR BLIK

IMG_1815

Ze kijkt me aan alsof ze met haar ogen zeggen wil: “Waag het niet om naar de anderen te kijken”. Doordringend en dwingend. Ik gehoorzaam. Ik voel haar kracht, ze is alert op elke beweging die ik maak. Zo staan we, oog in oog. Haar blik vastgeklonken aan mijn ziel.

Een eindeloos ogenblik lijkt dit te duren, totdat ik me losmaak uit die blik. Ik draai de foto, afgedrukt als ansichtkaart, om en lees op de achterkant dat deze rond 1920 in China gemaakt moet zijn. De portretfotografie deed haar intrede. De kinderen op de foto komen niet uit hetzelfde gezin. Zij zijn bij elkaar gezet; zes kinderen uit zes verschillende gezinnen die toevallig op dezelfde dag een foto lieten maken.

IMG_2709

Nu durf ik wel naar de andere kinderen op de foto te kijken. Die staan duidelijk onder haar bewind, het is van hun gezichten af te lezen. Zo zie ik het jongetje links met een schuin oog naar haar kijken, klaar om weg te rennen zodra ze toeslaat. Het jongetje rechts is al weg, getuige zijn vooruitgeschoven borstkas en zijn naar achter getrokken hoofd. Alsof hij zeggen wil: “Mijn lichaam staat er nog, maar in mijn hoofd ben ik al vertrokken”. En ach, de kinderen op de voorgrond zijn klein en argeloos, nog teveel zichzelf om overheerst te worden. Drie kleuters op een rij: de nieuwsgierige, de sippe en de onzekere. Alle drie gehoorzaam de handjes op de knie.

En dan pas zie ik wat daar onschuldig hangt bij die kleinsten. Alsof het alledaags normaal is, zo openlijk en bloot. Ik kijk snel weg, als werd ik betrapt als gluurder. Beschaamd om mijn nieuwsgierigheid, onbedwingbaar trekkend aan mijn ogen. En zij staan weerloos vastgenageld op de gevoelige plaat, onderwijl mijn blik trotserend. Lankmoedig bovenal, wijs zonder het te weten.

Nu snap ik het meisje, waarom ik niet kijken mocht van haar. Zij wilde mij behoeden te delen in de smart. De smart die Chinese jongetjes destijds ten deel viel op een dag. Ontdaan van broek en mannelijke trots, verleid tot vrouwelijke praal. Verkleed als meisjes, met jurkjes en strikjes. Zo hoopten ouders hun zoon te redden uit de klauwen van de demon, in die tijd alom gevreesd. Want meisjes liet hij met rust, en zo werd de angst de zonen te verliezen gesust. De foto als bewijs voor hun mannelijk gezinslid, gekoesterd, maar goed opgeborgen voor de kwade geest.

Ik dacht niet ontvankelijk te zijn, maar werd geraakt door wat een foto kan onthullen. Haar blik bleef aan mij knagen, maar naar haar kijken lukte mij niet meer. Toch ben ik het haar schuldig, ze had me willen behoeden. En als ik eindelijk weer kijk, dan zie ik hoe haar dwingende blik verdwenen is. Smekend kijkt ze me nu aan, als wilde ze iets vragen.

Ze leeft niet meer, ik zal het nimmer weten. Maar nog altijd voel ik haar onvervulde bede.

 

 

 

YIN en YANG

Ik kan niet tegen negatieve mensen. Die nooit eens iets positiefs te melden hebben en altijd met hun zwartgallig gezeur de sfeer verpesten. Die de toekomst somber tegemoet treden, alle oude koeien aan hun staart uit het verleden slepen, en vervolgens besluiten dat het vandaag niet anders zal zijn. Op zich is het wel knap, want zelfs als alles blinkt weten zij nog een smetje te vinden. Het eerste lentezonnetje ‘zal wel niet lang duren’ en de warme zomerdagen ‘vielen precies in de werkweek’. Als de autorit meevalt dan ‘zullen we op de terugreis wel in de file staan’. En als de buurman groet ‘zal hij wel iets van me willen’.

Maar ja, ik kan ook niet tegen positieve mensen. Die nooit iets te zeuren, klagen of drammen hebben. Die altijd enthousiast zijn, over welk voorstel dan ook. En ook nog eens eeuwig complimenteus. Want over iedereen valt wel iets positiefs te zeggen. Het lijkt wel of er alleen maar superlatieven in hun woordenboekje staan.

Soms denk ik dat mijn allergie voor mensen die te blij of juist te somber zijn, alleen maar opkomt omdat ik zelf eigenlijk ook zo ben. Als ik niet oppas zie ik in elke catastrofe een unieke kans. Maar als er niets te klagen valt komt die zeurkous ook in mij naar boven. Zo vechten beide kanten in mij om hun eeuwig gelijk.

In China denkt men niet in strijd, maar in Yin en Yang: tegengestelde krachten die elkaar aanvullen in plaats van tegenwerken. De één kan namelijk niet zonder de ander bestaan. Dus zonder verdriet geen blijdschap, zonder angst geen opluchting, zonder haat geen liefde. Het staat er zo eenvoudig, maar ik kan er niks mee. Onverschrokken woedt in mij de strijd tegen het kwaad voort.

De ‘één die niet zonder de ander bestaat’ doet me denken aan mijn eerste college Psychologie toen de docent ons onderstaande tekening liet zien:

IMG_2638

‘Eén plaatje, twee gezichten, het is maar hoe je het bekijkt’, sprak de Prof geheimzinnig. Maar er was niets magisch aan, het duurde alleen bij mij een tijdje voordat ik de tweede vrouw ontwaren kon. Het leek wel of mijn hersenen vast geketend zaten aan het beeld dat ik als eerste zag. Maar hij had gelijk: zodra je de ander zag waren de twee vrouwen wonderlijk met elkaar verbonden. De ene vrouw kon blijkbaar niet zonder de andere bestaan.

Ik vraag me af of dit alleen voor dergelijke plaatjes opgaat. Soms lijkt mijn kijk op het leven ook vast te zitten aan de stemming die ik heb. En als die slecht is dan kan alles zich zo donker en ontmoedigend aandienen, dat je je afvraagt of het ooit nog goed komen zal. Het zijn van die dagen dat zelfs een glimlach geen glinster brengt in je bestaan. En dan, als bij toverslag, ziet de volgende dag er anders uit. Het leed van gisteravond lijkt onwerkelijk ver weg. Dezelfde zon schijnt nu helder, dezelfde problemen zijn erdoor verbleekt. En het lichte, twinkelende gevoel in je lijf denkt niet meer aan de zwaarmoedigheid van gisteren. Het leven heeft nu een andere kleur, met een ander gevoel. Dezelfde werkelijkheid, maar een andere blik.

Het is een bijzonder fenomeen: alsof het licht van een nieuwe dag het plaatje van je bestaan opeens anders kleurt. Net als bij de tekening van de vrouwen: je blik bepaalt wie van de twee op je netvlies verschijnt. En ook al kun je switchen naar de andere vrouw, het lukt je niet om beide vrouwen tegelijk te zien. Hun beelden zijn teveel versmolten: het oor van de één wordt het oog van de ander, de halsketting vervormt zich tot mond, de kaaklijn tekent de neus. En dat is wat het is: ze hebben elkaar nodig om gezien te worden. Samen vormen zij het plaatje wat zij in hun eentje niet kunnen laten zien.

En zo kijkt men in China naar het leven: Yin en Yang zijn één geheel. Een mens is geen optimist of pessimist, iets is niet mooi of lelijk. Wij hebben alles in ons: het positieve en het negatieve. Omdat we weten wat pijn en verdriet is, kunnen we ons blij voelen. Door onze eenzaamheid zoeken we onze vrienden. En het leven zou niets waard zijn als we niet wisten van de dood.

Ik begin te begrijpen wat die Chinezen bedoelen. Het is net als bij een ontspanningsoefening: je balt je vuisten en ontspant, je fronst en laat los, je trekt je schouders op en laat ze zakken. Door de spanning in je lijf te voelen, weet je wat ontspannen is. En zo is het ook met pijn, verdriet en ander ongemak. Alleen door te weten hoe dit voelt, waarderen we vreugde, gezondheid en geluk.

Het lijkt misschien een truc, maar dat is het niet. Hooguit is het een levenskunstje.

 

GEEN AFSCHEID

Ik wilde een blog schrijven over dat ik het zo moeilijk vind om straks afscheid te nemen van China. En dat ik het zo gemakkelijk had gevonden om vorig jaar van Nederland afscheid te nemen. En dat ik dat eerst raar vond, maar later snapte ik het wel. Het komt erop neer dat het afscheid in Nederland geen echt afscheid was en hier in China wel. In Nederland zou ik weer terugkeren na een jaar, en kon ik iedereen die mij dierbaar is weer in de armen sluiten. Maar het is een ander verhaal in China: hier kom ik niet meer terug om te wonen, en de mensen die ik hier heb ontmoet zal ik nooit meer in mijn leven zien.

Maar ik vergat iets. Ik vergat dat ik het veel moeilijker had gevonden als ik had geweten wie ik in Nederland niet meer zou zien. Omdat ze zouden verhuizen naar een plek waar ik niet zo gemakkelijk heen zou kunnen gaan, bijvoorbeeld. Of omdat ze dood zouden gaan.

En dat laatste is gebeurd. De vader van onze beste vriend is overleden. Ja, hij was best oud, en ja, hij had longemfyseem. Maar nee, ik dacht er geen seconde aan dat ons uitzwaaien een definitief afscheid was. Want dan was het een heel ander verhaal geweest: dan had ik heel moeilijk gedag kunnen zeggen.

“Echt waar? Is hij echt dood?” vroeg mijn jongste zoon toen hij het hoorde. “Maar hij was zo aardig!”  Alsof aardige mensen niet dood kunnen gaan. Of niet dood mogen gaan. En eigenlijk klopt dat ook: zoiets gemeens als dood gaan past niet bij aardige mensen. Want zij zouden jou nooit verdriet aan willen doen. Zij zouden het nog erger voor jou vinden dan voor zichzelf om dood te gaan. Dus aardige mensen kunnen niet sterven. En het mag ook niet. Want we kunnen ze niet missen. We hebben ze nodig om ons eraan te herinneren dat aardige mensen echt wel bestaan.

En het mocht óók niet, omdat wij geen afscheid van hem hebben genomen vorig jaar, en het nu niet meer kunnen doen. Dan is China toch echt te ver weg. We moeten het dus doen met de herinnering aan ons laatste samenzijn. Toen hij ons in zijn huis een zeer onderhoudende ochtend heeft bezorgd, samen met zijn vrouw. En natuurlijk had hij zelfgemaakte baopao’s voor ons, die we aten in dezelfde flat als waar zijn moeder deze altijd maakte. Bergen baopao’s zijn daar door de jeugd van toen verslonden. En met het eten werden banden gesmeed, van herinneringen tot levenslange momenten van geluk.

Bij het afscheid kregen wij van hem een boeddha beeldje mee: piepklein, zodat het in onze reistas zou passen, als geluksymbool voor een behouden vaart. Het heeft gewerkt, gezien de vele duizenden kilometers die we veilig hebben afgelegd. Maar het heeft er vooral voor gezorgd dat hij niet vergeten werd. Want elke keer als ik mijn huissleutel hier in China pakte voelde ik zijn boeddhabeeldje in mijn handtasje, veilig opgeborgen in het zijvakje. En zo dacht ik elke dag minstens twee keer aan hem. En ook al duurde dat maar een seconde, bij elkaar is dat in een jaar toch gauw zo’n elf uur.

Elf lange uren, waarin we elkaar verhalen hadden kunnen vertellen. Over hoe ons leven was geweest, met mooie en moeilijke momenten, levensvreugde, haat en nijd, ambities en teleurstellingen. Vol van dit alles, zoals ieders leven is. En dan zouden we van geluk spreken dat we elkaar gekend hebben, en ook elkaars kinderen en ouders mochten ontmoeten. En tenslotte zou het moment daar gekomen zijn. Het moment van de waarheid: vaarwel en niet tot ziens.

En dan zou ik het niet kunnen. Want hoe zeg je gedag als je iemand nooit meer ziet? ‘Tot ziens’ klinkt natuurlijk belachelijk. ‘Het beste, hè?’  is schrijnend ongepast. Maar ook ‘goed je gekend te hebben’ klinkt hooglijk kwetsend op dit afscheidsuur.

Ik denk dan ook dat je geen afscheid kunt nemen van iemand als je weet dat hij dood gaat. Want je wilt hem niet kwijt. Dus blijf je. En zeg je niets. Zonder woorden verbonden met elkaar.

Maar als je toch moet gaan, dan kun je misschien nog het beste verder leven met het idee dat iemand kwijt is en niet dood. Zoals Bart Moeyaert dit verwoordt:

Zo kwijt als dood

mag je niet gaan.

Hoe ruim ik op

als ik niet eens

kan bellen, vragen

of je onze foto nog wel wil?

Dan blijft het eeuwig stil

in huis en ben je

niet eens weg, maar dood.

Nee, als ik je verlies

dan hoop ik dat ik

op mijn zakken sla,

een poosje zoek

en dan ineens bedenk

dat jij allang

gevonden bent

door wie je liever ziet.

Dan zal ik kunnen rusten.

Anders niet.

Dat is wat we willen: dat hij zijn bestemming vindt bij iemand die lief voor hem is. En wij waren bij hem, in zijn kamer of in gedachten, toen hij afgelopen dinsdag afscheid nam van dit leven. Ik weet zeker dat hij ons heeft gevoeld bij zijn laatste ademtocht. Anders was het hem nooit gelukt om weg te gaan.

En wij weten dat hij goed terecht zal komen. Want aardige mensen verdienen dat. Die gaan niet zomaar dood.

RESPECT

Het viel me direct al op: in Japan ligt geen afval op straat. Geen snippertje. We kwamen in Kyoto aan en in de straten rondom ons hotel waande ik me in Disneyland met haar orde en opgeruimdheid. Maar heel Japen bleek zo te zijn: alle straten brandschoon.

Nu koppel ik ‘schoon’ direct aan vuilnisemmers en straatvegers. In Nederland wijt ik namelijk het zwerfafval op straat aan het gebrek aan afvalbakken. Maar dat was de volgende verbazing waar ik in viel: in Japan zijn vuilnisemmers noch schoonmakers te bekennen. Er moet dus iets anders zijn wat Japan schoon houdt.

Maar er was meer. Direct na aankomst op het vliegveld viel het me al op: de chaos van een menigte passagiers is in Japan teruggebracht tot één lange, rechte rij wachtenden. Geen gedrang, irritatie of een onvertogen woord. En als je aan de beurt bent wijst een beambte met een buiging naar het loket dat vrij gekomen is. Voor het eerst in mijn leven voelde ik dat het wachten mij geen stress opleverde, omdat ik geen zorgen had over of ik de snelste rij had uitgekozen. Sterker nog, ik had helemaal niet het gevoel dat ik moest wachten; het voordeel van één rij is dat deze heel snel opschiet.

Ik voelde me daar net de koningin: overal vlogen deuren open en werden we geholpen voordat we ons überhaupt af hadden kunnen vragen wat we wilden weten. En het extra fijne bij dit alles was dat alles blonk en schoon was. Zelfs de toiletten roken lekker, of je deze nu op straat, op de stations of in de treinen bezocht. Met overal wc-papier, zeep en flesjes desinfecteergel. Het leek alsof Mr. Muscle Allesreiniger voortdurend aan mijn zijde was. Ik hoefde alleen maar zijn spoor van lavendel en limoen te volgen.

En alsof dat niet genoeg was stond Japan ook nog eens in bloei. Het leek wel of alle witte kersenbomen op commando waren uitgebarsten. En de Japanners keken ademloos naar deze toevloed van natuurgeluk, als waren zij toeristen in hun eigen land. Dankbaar leken ze, voor de overweldigende schoonheid van de natuur. Respect straalden ze uit, voor haar kwetsbare robuustheid. Zo liepen wij daar, in een lange rij, plechtig en ingetogen, als een bruidsstoet door een witte haag met wuivende bomen.

Ik weet niet wat er eerder was: Japan met haar kersenbomen of de Japanners met hun respect voor de natuur. Maar het doet er niet toe, want ze zijn geschapen voor elkaar. Een mooie omgeving dwingt respect af en Japanners zijn hun land waard. Ik zie dat zij hun eigen afval bij zich houden en dit aan het einde van de dag thuis weggooien. Ik weet hoe zij elke kamer achter laten: zonder een spoor van de betreder. Zij tonen hun dankbaarheid door spullen na gebruik in hun oorspronkelijke staat terug te brengen. Net als een geleende ovenschaal: die breng je als vanzelfsprekend afgewassen bij je buurvrouw terug, dankbaar voor haar geste. Zo voelen Japanners zich tegenover Moeder Aarde: je hebt haar in bruikleen en je geeft haar ongeschonden en met dankbaarheid weer terug.

Het trekt me wel, de Japanse manier van leven. Respect voor de omgeving houdt de straten schoon en de huizen opgeruimd. En omdat alles zo gestroomlijnd verloopt heb je niet door hoe chaotisch en druk het dagelijks leven is. Maar ik heb nog een lange weg te gaan; mijn Hollands bloed kruipt waar het niet gaan kan. Als ik een boterham heb gegeten, lijk ik op Klein Duimpje. En als ik een maaltijd heb bereid, is er in mijn keuken een klein bommetje ontploft. Elke keer denk ik weer te laat aan mijn voornemen om op de Japanse manier te leven. Het lijkt alsof mijn hersenen achter mijn voornemen aanlopen en mijn lichaam vast zit in een jarenlang patroon.

Die behoefte om mijn omgeving mooi en opgeruimd te houden dateert trouwens al vanaf mijn jeugd. Ik weet nog dat ik als 10-jarige aan mijn buurmeisje voorstelde om de buurt van zwerfafval te ontdoen. Haar verontwaardiging blies mijn hoop op een schone wereld in één zin weg: ‘Wat heeft dát nou voor zin, morgen is het weer een troep!’ Tegen zoveel logica waren mijn idealen niet opgewassen.

Maar ze had wel gelijk: schoonmaken heeft geen zin als het doel niet wordt bereikt. Opruimen is niet leuk als de stapel onder je handen groeit. Het heeft dus geen zin om meer afvalbakken en schoonmaakploegen in te zetten. Alleen wij zelf kunnen deze eindeloze cirkel doorbreken. En nu zie ik dat het omgekeerde verband geldt: hoe meer afvalemmers en straatvegers des te meer vuil op straat.

Dus begin ik bij mezelf en ga ik aan de slag. Ik maak ons huis schoon, net als voorheen, maar met één verschil: het is niet meer het resultaat van woest geboen en gemopper om verloren tijd. Nee, mijn spullen verdienen het om te glanzen alsof ze in de showroom staan. Zolang het mij lukt om deze Japanse gedachte in mijn hoofd te houden heb ik vrede met mezelf en met het schoonmaken. Dan blinkt niet alleen mijn huis, maar ook mijn leven mij tegemoet.