DE WEG KWIJT

Ik ben regelmatig de weg kwijt. Ik sta erom bekend. Loop met mij een rondje om het huis en ik krijg het voor elkaar om niet meer thuis te komen. Mijn kinderen plagen me ermee. Gelukkig hebben zij mijn gebrek aan ruimtelijke oriëntatie niet geërfd. Ik lach met ze mee, achteraf kan ik dat wel. Maar meestal staat het huilen mij nader dan het lachen wanneer ik weer eens verdwaal.

Zo kan ik me nog herinneren dat ik met een vriendin een avondje ging stappen in Rotterdam. Ik mocht de auto van mijn ouders lenen en ik had van te voren precies opgeschreven hoe we moesten  rijden. Mijn vriendin zat naast me en las het stap voor stap voor. Nog zonder TomTom was zij mijn steun en toeverlaat. En het werkte: zonder problemen kwamen we bij de discotheek aan. Om 1 uur ’s nachts keerden we huiswaarts, mijn vriendin weer naast me met de instructies in omgekeerde volgorde op haar schoot. Ik was gerust: het zou nog wel eens goed komen met mij en het vinden van de weg. Maar dit gelukzalige gevoel duurde niet lang: we waren de straat nog niet uit of we stonden voor een wegversperring. Meestal gebeuren dit soort wonderlijke toevalligheden alleen in mijn dromen, maar deze was echt. Maar, geen paniek: het enige wat we moesten doen was de volgende straat nemen, en dan konden we gewoon weer verder. Zo gezegd, maar zo niet gedaan. Wegen lopen niet recht en leiden al helemaal niet allemaal naar Krimpen aan den IJssel. De paniek sloeg me om het hart. Twee jonge meiden in een dure auto in het midden van de nacht verdwaald in De Stad, zoals wij Rotterdam respectvol noemden. We besloten dan ook zonder het met elkaar te bespreken dat we niemand de weg zouden vragen. Borden genoeg, en er zou er heus wel één zijn die ons de weg terug naar huis wees. Het enige wat we niet moesten doen was in de Maastunnel terecht komen. Want dan kwam je aan het andere einde van Rotterdam, het Rotterdam van Feyenoord en Charlois. En dat was pas écht eng.

‘Alle wegen zijn goed, behalve de Maastunnel. Niet de Maastunnel, niet de Maastunnel …’, zo klonk het bezwerend door mijn hoofd. Maar net als de zwaartekracht is de kracht van de angst onontkoombaar: meedogenloos werd ik naar de Maastunnel getrokken. Zoals de skiër die wanhopige pogingen doet die ene boom te vermijden. Zo verging het ons ook. Daar, aan de andere kant van Rotterdam, hebben we een eindeloze, wanhopige rit gereden. Zonder een aanknopingspunt, zonder een plek om te stoppen, zonder een bord dat ons de weg wees.

Natuurlijk zijn we thuis gekomen. Net als in een droom: opeens word je wakker en is het voorbij. Zo ging het ook die nacht: zonder dat we de weg hadden gevonden waren we opeens thuis. Doodop en met een jetlaggevoel stortten we in ons bed. De volgende ochtend herinnerde ik me onze nachtelijke rit. Of was het toch een droom? Aan het ontbijt werd mij dit duidelijk toen mijn vader zei: “Ik dacht dat mijn auto een volle tank had!?” Ik kan me niet herinneren wat ik heb geantwoord, want een simpel: ‘we waren de weg kwijt’ leek me een hele slechte smoes.

Gelukkig voor mij is de TomTom uitgevonden, met de meest geruststellende stem die er in mijn oren bestaat: die van Bram. Bram brengt me overal en zijn opluchting is misschien nog wel groter dan die van mij wanneer hij de autorit afsluit met: ‘Bestemming bereikt’.  Toch blijkt ook Bram niet bestand tegen mijn gebrek aan oriëntatievermogen. Regelmatig ben ik ook met hem op mijn voorruit het spoor bijster. Zo ook tijdens een vakantie met vrienden in het Oosten van het land. Mijn man kwam een dag later aan en ik had toegezegd hem van het station op te halen. Ik zag een piepklein stationnetje op de kaart, maar Bram zag geen problemen. Voor de zekerheid vroeg ik één van mijn vrienden om met mij mee te rijden. Na zijn verbaasde reactie: ‘Je hebt toch een TomTom?’ ging hij mee ‘voor de gezelligheid’. Maar dit werd pure noodzaak toen het station volgens Bram toch echt op een uitgestorven bedrijfsterrein moest liggen. ‘Bestemming bereikt’, zo bleef hij mij verzekeren. Zijn stem klonk opeens niet zo geruststellend meer. Maar met een echte vriend naast me was het allemaal niet zo erg. Het station bleek nog te bestaan en mijn man stond nog te wachten.

Hier in China heb ik niks te vrezen: ik verdwaal nooit meer dankzij onze chauffeur Sun Li. Hij weet altijd de weg, en zelfs als hij dat niet weet komen we zonder paniek en zonder omweg altijd weer thuis. Bestemming bereikt klinkt mij hier heel anders in de oren. Maar helaas was deze rust van korte duur: mijn angst heeft mij zelfs in het verre China weten te vinden. En de aanleiding kwam uit onverwachte hoek.

Half augustus wilde ik mijn eerste blog op mijn kersverse WordPress-site publiceren. Opeens verscheen er een zinnetje op mijn scherm ‘Sorry, more  information needed’. Ik begreep niet precies wat dit betekende, maar dacht hier wel achter te kunnen komen. Echter, hoe meer ik zocht naar wegen om mijn site te bereiken, des te meer kwam ik klem te zitten tussen sorry-zinnetjes en dreigend-uitziende webpagina’s met Chinese karakters. Steeds meer blokkades doemden op langs de digitale snelweg. Nu was ik ook nog eens de weg kwijt op internet! Hoe kon ik mijn blogs publiceren als er geen contact met Nederland mogelijk was? De paniek sloeg toe. Daar zat ik dan in mijn eentje in China, hopeloos verloren.

Gelukkig bleek ik niet de enige te zijn die dit had meegemaakt. Mijn buurvrouw wist er alles van. Ik leerde dat het zinnetje ‘Sorry, more  information needed’ een eufemisme is voor ‘gecensureerd’.  En ik hoorde dat niet alleen WordPress, maar ook YouTube, LinkedIn en Twitter door de digitale Chinese Muur worden tegen gehouden. Weer was het mijn buurvrouw die een uitweg wist. Door het installeren van een eigen verbinding, VPN geheten, kunnen de blokkades ontweken worden. Nu is het deze digitale TomTom die mij razendsnel naar mijn bestemming leidt. Elke ochtend log ik in via de Verenigde Staten en koers ik vastberaden en blijmoedig op Nederland af, terwijl onderaan mijn scherm voorbij flitst: ‘wachten op proxytunnel’ en ‘beveiligde verbinding tot stand brengen’.  Ik snap niet hoe het werkt, maar ik laat mijn levenslijn niet meer los. Ik hou het hier in China nog wel even uit!

CHINEES WERKETHOS

SONY DSC

Er is veel te doen in China. De Chinezen proberen in 10 jaar tijd datgene te doen waar de Westerlingen 100 jaar voor nodig hebben gehad. En daarbij willen ze ook nog eens het Westen overtreffen. Neem hun plan om het hoogste gebouw van de wereld te maken, Sky City, dat met zijn 220 verdiepingen 10 meter hoger zal zijn dan het gebouw dat zich op dit moment het hoogste mag prijzen: 228 meter in Dubai. Afgezien van deze duizelingwekkende cijfers wil de projectontwikkelaar het ook nog eens in recordtijd bouwen: in 7 maanden in plaats van de 5-10 jaar die een dergelijk gebouw nodig zou hebben. Wij kijken vanuit het Westen verbaasd toe. Hoe doen die Chinezen dat? In de tijd dat wij met onze ogen hebben geknipperd is China van een onderontwikkeld land ergens aan de achterkant van de aardbol middenin het centrum van de wereld opgepopt, als een vlinder uit haar cocon. Wij kunnen niet meer om de Chinezen heen: de wereld draait nu om hen.

Natuurlijk, China is alleen al koploper in menskracht: met een inwonertal van ruim 1,3 miljard is zij de baas. Ter vergelijking: de V.S. heeft als derde op de lijst een inwonertal van nog geen 314 miljoen, om over Nederland nog maar te zwijgen. Dus logisch: ook in China maken vele handen licht werk. En als je met zovelen bent kan ook alle tijd benut worden: de 24/7 diensten zijn niet alleen in de V.S. van kracht. Maar anders dan in Amerika bestaan in China geen secundaire arbeidsvoorwaarden. Er is namelijk maar één principe, en dat is de primaire levensbehoefte om werk te hebben, wat dat ook is en onder welke omstandigheden dan ook. Wie werkt die overleeft in China. Maar toch, er moet ook iets anders zijn wat Chinezen doet slagen in hun hoge productie?

Ik woon hier pas 2 maanden en kan nog niet verklaren hoe het China lukt om mee te doen in de internationale wedloop en hierbij landen te verslaan die meer ervaring hebben en langer de tijd hebben gehad om zich te ontwikkelen. Ik kan alleen de Chinezen om mij heen observeren, en ook nog eens zonder dat ik hun taal spreek en hun cultuur goed ken. Maar één ding is mij inmiddels wel duidelijk geworden: Chinezen werken anders dan wij in het Westen.

Vanuit mijn studeerkamerraam kijk ik uit op een huis in aanbouw. Drie weken lang is het gehuld in een groot groen gaasverband, alsof het op de operatietafel ligt. Drie weken lang zie ik Chinese werklui in-en uitgaan. In een langzaam maar gestaag tempo. De zware arbeid noch de hitte lijkt hen te deren: ze bewegen zich alsof het hen geen energie kost. Tai Chi op de werkplek, zo ziet het eruit. Er lijkt niet veel te gebeuren, maar ondertussen gebeurt er van alles, onzichtbaar. Het ziet eruit als de slinger van Foucault, die blijft bewegen, schijnbaar zonder energie te verliezen, en ondertussen belangrijk werk verricht: aantonen dat de aarde ronddraait. Het heeft een rustgevend effect op me: er wordt gewerkt, uiterst beheerst en alleen gericht op datgene wat nodig is. En dan opeens staat de machine stil. Ik had even niet opgelet en het volgende moment zie ik niemand meer in het huis. Ik kijk uit het andere raam en dan zie ik ze aan de andere kant van de straat: 14 Chinese werkmannen op hun hurken in een lange rij langs de stoeprand. Ieder eet met stokjes uit een plastic bakje, niemand kijkt op of om. In de weken die volgen leer ik dat dit ritueel zich elke dag klokslag 12 uur voltrekt. Elke Chinees laat op dit tijdstip alles uit zijn handen vallen om te gaan eten. Zelfs vergaderingen worden abrupt onderbroken: werk is belangrijk, maar eten is heilig. Ik kan hier nog iets van leren. Ik werk in horten en stoten en stop pas als mijn werk af is. Míjn energie zit altijd in een rollercoaster, mijn humeur volgt op de voet. Ik vraag me af of deze Chinese manier van werken bijdraagt aan de hoge productie. Bewijzen kan ik het niet, maar het klinkt aannemelijk.

Maar ik zag nóg iets. Door alle klusjes die in ons huis gedaan moesten worden zag ik wat anders is aan de Chinese manier van werken: er is namelijk voor elke klus een man. Sterker nog: voor elk onderdeel van een klus is een man. In het begin vroeg ik me nog af waarom er zoveel Chinezen nodig waren voor één klusje, maar nu begrijp ik dat iedereen hierin een eigen taak heeft. Zo kwamen er voor onze houten vloer, die stof produceerde door de naden van de planken, vier mannen opdraven. De eerste was de Voorbereider: hij zette de meubels aan de kant, bond de gordijnen hoog op, deed de lichten aan en stopte de stekker van de stofzuiger in het stopcontact. De tweede man was de Stamper: hij stampte op de planken zodat het stof hoog op dwarrelde. De derde was de Zuiger: hij mocht de manshoge stofzuiger met superkracht bedienen. En de laatste was de Opzichter: hij was wat ouder dan de rest en zat op een krukje aanwijzingen te geven. Dit alles werd als een goed geoliede machine uitgevoerd: de mannen waren zo goed op elkaar afgestemd dat het leek op een acrobatenshow in een circus: alles gaat vloeiend in elkaar over en voordat je het door hebt is de act voorbij. Ondertussen praatten de mannen voortdurend met elkaar, alsof hun woorden hun handelingen aan elkaar smeedden. Gebroederlijk gingen ze de deur weer uit, op weg naar hun volgende klus.

Dit zette me aan het denken. Tijdens mijn colleges Arbeids-en Organisatiepsychologie heb ik ooit geleerd dat mensen de meeste voldoening en plezier uit hun werk halen wanneer hun werk afwisselend is. Een eentonige taak zou niet alleen geestdodend zijn, het demotiveert en maakt werknemers ongelukkig in hun werk. Maar deze indruk had ik absoluut niet van dit Chinese A-team: de eentonigheid leek hen niet te deren. Het plezier met elkaar en in hun werk spatte eraf. Het leek alsof ze zagen dat hun kleine taak belangrijk is in het grote geheel, een onmisbaar schakeltje. Het gevoel dat je ertoe doet, dat je belangrijk bent voor de anderen. En dat die anderen dat ook zien en laten merken. Zou dit ook gelden voor mijn klusjesmannen, zouden ze hun taak zo belangrijk vinden en elkaar bedankt hebben toen ze klaar waren?

Ik twijfelde nog, maar toen wij onlangs in het Yanqihu Park waren wist ik het zeker. Ik zag het bewijs voor mijn gedachtenspinsels over het Chinese werkethos in levende lijve. Ik zag hem zitten op een bankje in het water, dat speciaal voor hem op die plek was gemaakt, met een eigen loopplankje en een parasol. Het was zíjn taak om iedereen die met de kabelbaan vanaf de berg naar beneden kwam abseilen vlak voor het einde af te remmen met een touw. En dat is een hele belangrijke taak. Van levensbelang zelfs. Want de gevolgen zijn niet te overzien als hij er één zou missen. Dus zit hij daar de hele dag mensenlevens te redden. Samen met zijn collega die de mensen aan het einde van de kabelbaan uit de gordels bevrijdt. Hun taken zijn goed op elkaar afgestemd en ze houden voortdurend oogcontact met elkaar. Samen zijn ze onmisbaar, en elk van hen is nodig. De wereld draait om hen. Wie wil dat niet?

Nu begrijp ik ook waarom het Chinese karakter voor CHINA bestaat uit een vierkant met een streep erdoorheen, om aan te duiden dat China in het centrum van de wereld ligt. De wereld draait namelijk om China. Welk land wil dat niet?

MIJN EIGEN AYI

Elke buitenlander in China heeft een ayi. Een ayi is een hulp in de huishouding, die niet alleen schoonmaakt, maar ook boodschappen doet, kookt, wast en op de kinderen past. Daarom is een ayi fulltime aanwezig: het is een dagtaak. Bovendien zijn de huizen voor expats erop gebouwd: in elk huis is naast de keuken een apart kamertje met douche en toilet voor de ayi.

Ik heb geen ayi. Ik had er wel uit twintig kunnen kiezen. Elke dag wordt er minstens één keer bij ons  aangebeld door een Chinese vrouw die vragend zegt: Need ayi? En elke dag zie ik tientallen e-mails voorbij komen van expats die vertrekken en hun ‘wonderful ayi’ aanbieden. Maar ik wil geen ayi en telkens weer moet ik uitleggen waarom. Het is kennelijk voor anderen moeilijk te begrijpen dat ik niet iemand in huis wil die alles voor me doet, zelfs niet voor zo’n spotprijsje: een fulltime ayi in China kost evenveel als één dag per week een huishoudelijke hulp in Nederland.

Maar ik ben gesteld op mijn privacy. Ik voel me opgelaten als er iemand om me heen aan het werk is. Ik heb stilte om me heen nodig als ik aan het lezen, schrijven of skypen ben. Dat opgelaten gevoel had ik al in Nederland, als ik onverhoopt thuis was op de dag dat mijn hulp bezig was. Maar hier zou dat gevoel er niet alleen elke dag zijn, het zou nog sterker zijn. Een ayi zou namelijk bij ons niet veel te doen hebben. Want ons huis is gemakkelijk te onderhouden vanwege het ontbreken van allerhande spulletjes, we hebben geen kleine kinderen die aandacht nodig hebben en de maaltijden hoeven niet uitgebreid te zijn vanwege de moeilijke eters in ons gezin. Dus zou ik haar aanwezigheid nog meer voelen, omdat ik weet dat ze niets te doen heeft en op mij wacht totdat ik haar een klusje geef.

Ik heb er dus voor gekozen om mijn eigen ayi te zijn. Ik heb een schema gemaakt met elke dag een andere klus, zodat ik aan het einde van de week het hele huis een keer heb schoongemaakt. Het leek logisch, immers, in Nederland werd mijn huis ook eenmaal per week schoongemaakt. Meestal zag ik pas de dag voordat onze hulp kwam dat het huis stoffig was. Maar hoe kan het dan dat ik hier élke dag stof en troep om me heen zie?

Ik weet het aan mijn onervarenheid. Als beginnende ayi dacht ik dat stof afnemen en dweilen voldoende was. Ik leerde dat er op plinten ook stof ligt, dat ik beter eerst kon opruimen en dan pas schoonmaken, en dat spinnen echt niet wachten met het bouwen van een web tot er een week voorbij is. Ik werkte me in het zweet, maar een schoon huis werd het niet. Na drie weken had ik het helemaal gehad: de hele dag was ik bezig met opruimen en schoonmaken. En dan ook nog zonder bevredigend resultaat: ik had de ene kamer nog niet klaar of de volgende kamer was alweer aan een schoonmaak toe. Dat de kinderen nog vakantie hadden hielp niet mee: kinderen spelen en blijven niet op één plek in huis. Kinderen zien geen troep en willen niet opruimen. Dus had ik er nog een taak bij: de hele dag liep ik achter de kinderen aan om hen te wijzen op de troep die zij achter zich lieten. Maar zelfs met drie ayi’s werd het huis er niet veel schoner en netter op. En zeker niet gezelliger.

Bijna had ik een echte ayi in de arm genomen. Mijn wens om privacy te hebben leek opeens minder belangrijk. Ik werd lid van de Yahoo-groep ‘Beijing Mama’s’, om opgenomen te worden in de groep buitenlandse vrouwen in Peking. Ik las over ‘garage-sales’ van expats die weer verder verhuisden, over waar de Starbucks verscholen zitten, over de opdringerige Chinese verkopers, en over ‘drivers’ en ‘ayi’s’. Dat laatste zocht ik. Maar waar waren al die ‘wonderful ayi’s’ gebleven? Ik las over ayi’s die alles uit de ijskast opaten, die de kinderen stiekem snoepjes toe stopten, die boodschappen kochten die niet op het lijstje stonden. Ik had het niet getroffen: die dag had iemand een mail rond gestuurd met: NEED TO VENT ….O! AND SOME ADVICE. Het stond er in hoofdletters, het zat haar blijkbaar hoog. Met stijgende verbazing las ik over de schaduwzijde van een fulltime ayi. Haar mail riep veel bijval op, met nog meer adviezen. En ik realiseerde mij opeens dat je met de komst van een ayi een werkgever wordt in je eigen huis. Met alle verantwoordelijkheden en zorgen van dien. En één ding wist ik zeker: dat wilde ik niet. Ik zou geen goede werkgever zijn, zeker niet in mijn eigen huis. Mezelf kennende zou ik het mijn ayi vooral naar haar zin proberen te maken.

Ook was er nog iets anders. Ik begon mij te realiseren dat ik last had van mezelf. Ik was de hele dag gericht op het huis en alles wat gedaan moest worden. En hierdoor ging ik ook steeds méér rommel zien. Met het verstrijken van de tijd was mijn huis groter geworden en nam de rommel evenredig toe. ‘Selectieve aandacht’ heet dat in psychologische termen. En ik was er met mijn ogen dicht ingetrapt. Ik had het niet herkend, terwijl ik dit mechanisme zo vaak heb uitgelegd in mijn werk als psycholoog. Dan vertelde ik dat iedereen wel eens last had van selectieve aandacht: iets wat belangrijk voor je is lijkt steeds groter te worden. En dat je daarom overal gevaar ziet als je angstig bent. En dat je hiermee kunt verklaren dat vrouwen die niet zwanger kunnen worden overal opeens zwangere vrouwen zien lopen. Maar nu kan ik er uit eigen ervaring iets essentieels aan toevoegen: je herkent het pas als je er al veel te veel last van hebt gehad.

Ik was een inzicht rijker en een illusie armer geworden. Maar stiekem was ik ook weer een beetje blij: ik snapte mezelf weer. Ik snapte nu ook waarom ik uit mijn vel sprong als mijn man ’s avonds nietsvermoedend een terloopse opmerking maakte over ‘de troep’. Ik trok het mij persoonlijk en veel te sterk aan. Ik was mijn eigen ayi geworden.

Langzaam begin ik weer mezelf te worden. Ik doe de dingen waar ik blij van word: lezen, schrijven en observeren. En ik houd mezelf aan 1 uur schoonmaken per dag, volgens het schema dat ik eerder had opgesteld. Als iemand opmerkt dat iets vuil is, kijk ik snel op mijn lijstje en lees ik hardop voor wanneer dat weer wordt schoongemaakt. Wórdt schoongemaakt. Door diegene die 1 uur per dag onze ayi is. Als je haar wilt ontmoeten dan kun je haar elke dag in ons huis zien schoonmaken. Maar alleen tussen 2 en 3.

VERBODEN TE TOETEREN

IMG_1189

De Chinezen rijden als gekken, daar werd ik al voor gewaarschuwd voordat ik naar China verhuisde. Dat is geen woord teveel gezegd. De Chinezen gaan letterlijk ieder hun eigen weg zonder zich van het overige verkeer iets aan te trekken; ze rijden links terwijl ze toch echt rechts behoren te rijden, slaan rechtsaf zonder op voetgangers te letten, slaan linksaf zonder zich om tegemoetkomend verkeer te bekommeren, keren om op het moment dat ze bedenken dat ze verkeerd gereden zijn, en parkeren overal waar geen auto staat. Daarbij toeteren ze voortdurend, zodat je niet meer weet wie er toetert en voor wat. Als je vanuit een helikopter zou neerkijken op het verkeer zou je denken dat je te maken hebt met een computerspelletje waarbij je zo snel mogelijk naar de uitgang moet komen, terwijl je alle obstakels probeert te vermijden. Zo is het Chinese verkeer: iedereen rijdt gewoon de richting op waar hij heen wil en neemt daarbij de kortste route. Chaos tot en met.

Ik was dan ook niet verbaasd dat je als buitenlander aangeraden wordt hier niet zelf te rijden, maar een auto met chauffeur te huren. Het klinkt decadent, maar het is puur lijfsbehoud. De eerste keren in onze auto met chauffeur voelde het alsof ik in een attractie in de Efteling stapte. Alleen was dit geen sprookje: ik stond duizend angsten uit. Alles kwam op me af en ik wist niet waar we heen gingen. Opeens herinnerde ik me weer wat ik als kind altijd deed wanneer ik in zo’n enge attractie zat: ik deed mijn ogen dicht en wachtte tot het over was. Het hielp, maar niet voor lang, want het heftig toeteren deed mij elke keer weer de ogen openen voordat ik het wilde.

Maar al snel merkte ik dat Sun Li een hele goede chauffeur is. Handig weet hij zich keer op keer razendsnel uit allerlei chaotische verkeerssituaties te redden. Als gewezen buschauffeur heeft hij nog steeds de uitstraling van ‘ik ben de grootste, dus jullie gaan wel uit de weg’. Het voelt alsof ik in een film zit, op de rug van de held, die door een oorlogsgebied rent, terwijl om ons heen de bommen vallen en we beschoten worden. Mijn held lijkt onaantastbaar: als Superman springt hij over alles heen en weet hij alles te ontwijken. Geen heer in het verkeer, maar de Keizer van het Verkeer.

Nu geniet ik als ik achterin zijn auto zit. Het mooiste van de rit is dat hij ter afsluiting de auto parkeert op een plekje waar ik niet eens een Mini kwijt had gekund. En dit doet hij ook nog eens door achteruit de parkeerplek in te steken, met één vloeiende beweging. Ik heb de neiging om elke keer weer luid te applaudisseren, maar gelukkig doet mijn jongste dat al. Sun Li zou nog eens kunnen denken dat ik avances maak.

Maar hiermee ben ik er nog niet: het Chinese verkeer jaagt me nog steeds de stuipen op het lijf zodra ik mij buiten de auto bevind. Eigenlijk zou ik zonder Sun Li nergens heen willen. Maar om hem te vragen mij naar het bakkertje om de hoek te rijden is mijn eer te na. Dus moet ik mij begeven in het verkeer, te voet of met de fiets.

Het is niet zo dat ik bang ben in het verkeer, zelfs niet in een ander land. Toen we in de V.S. woonden had ik net mijn rijbewijs. Zonder rij-ervaring heb ik mij toen in het Amerikaanse verkeer gestort. Ik vreesde het ergste, maar de klap bleef uit. Het leek wel alsof ik daar op één groot wijds oefenterrein reed; brede wegen, die meestal ook nog eens bestonden uit 3 of meer rijstroken, overal meer dan genoeg parkeerplaatsen, en hele vriendelijke verkeersregels. De fijnste vond ik de regel die geldt op een gelijkwaardige kruising: wie het eerst aankomt krijgt voorrang. Met de nadruk op ‘krijgt’: je krijgt voorrang van degene die net even later was dan jij. Dit lijkt een rare regel, want wie bepaalt wie de eerste is? Het antwoord is simpel: gewoon wachten en kijken wat er gebeurt. Dat was wel aan mij besteed, zeker in het verkeer. Afwachtend als ik ben, kreeg ik eindelijk als eerste de beurt. Als een koningin schreed ik over de kruisingen. Je zou er bijna van gaan wuiven.

Hoe anders was mijn ervaring in het Nederlandse verkeer, waar iedereen voorrang neemt, omdat je er nu eenmaal recht op hebt. Het wachten wordt niet beloond, maar afgestraft. Ik heb het nooit zo erg gevonden, want ik rijd liever veilig dan snel. Mijn passagiers denken daar meestal anders over. Als er morgen een prijs uitgereikt zou worden voor Heer in het Verkeer, dan zou ik de vrouwelijke vorm met ruime voorsprong en met terugwerkende kracht winnen.

Maar hier in China ben ik noch de Heer, noch de Koningin in het verkeer. Ik ben een bang muisje dat opschrikt bij elk geluid van een claxon. Toch is het mijn Hollandse eer te na als ik hier geen fietstochtjes zou maken. En als psycholoog kan ik het niet over mijn kant laten gaan om mij door angst te laten beheersen. Dus doe ik elke dag weer dappere pogingen om het Chinese verkeer te trotseren. Mijn enige houvast om niet door mijn angst overmand te worden is door vast te houden aan dat wat ik ken: de verkeersregels. Dus loop ik op de stoep, fiets ik op de speciale fietsstroken, steek ik mijn hand uit bij het afslaan en blijf ik keurig rechts rijden. De Chinezen zouden kunnen denken dat ík de gek ben in het verkeer. Maar het helpt allemaal niets: iedereen blijft rijden zoals hij rijdt en iedereen blijft even hard toeteren, de speciale verkeersborden ten spijt. En mijn angst wordt er al helemaal niet minder op.

Toch is er de laatste tijd iets aan het gebeuren: mijn angst maakt plaats voor agressie. Ik verander van een keurige Hollandse in een opgewonden standje. Al vloekend en tierend roep ik tegen iedereen die het horen en niet horen wil: ‘wat doen die @$^* auto’s op de fietsstrook, wat willen ze &%# van me als ze toeteren, ik kan moeilijk door die auto’s heen fietsen! IK DOE NIETS FOUT!!!’ Gelukkig verstaan de Chinezen me niet, of ze doen net alsof. In ieder geval trekken ze zich niets van mij aan en vervolgen zij onverstoorbaar hun weg. En ik? Ik slalom me om de auto’s heen, neem duikvluchten om tegemoetkomend verkeer te vermijden en parkeer mijn fiets met een vloeiende beweging voor de deur van de supermarkt. En mijn angst? Die scheurt gestroomlijnd met me mee. Samen vervolgen we geagiteerd onze weg, verbolgen tot en met. De levensles in het verdragen van onrecht is hier niet aan mij besteed.

Maar met het ontwaken van de agressie komt ook de strijdlust in mij naar boven. Ik begin me te ontpoppen als een ware dragonfly die haar eigen weg gaat. Inmiddels fiets ik op de stoep, rij ik aan de linkerkant van de weg, en steek ik de weg over wanneer het míj uitkomt. Ik let alleen maar op mezelf en hoef er slechts voor te zorgen dat ik anderen ontwijk. Geen regels of beleefdheden waar ik rekening mee houd. Nooit meer wachten, nooit meer anderen voor laten gaan. De enige die telt ben ik. Ik begin al echt ingeburgerd te raken.

Toch, ondanks mijn verworven souplesse in het verkeer blijft het getoeter mij blokkeren. Totdat ik vorige week een inburgeringscursus volgde. Ik spitste mijn oren toen het onderwerp ‘Chinezen in het verkeer’ aan de orde kwam. De docente legde uit dat het toeteren hier, anders dan in andere landen, geen teken is van: Kijk uit! Of: Uit de weg jij! Of: Wat doe je nou weer voor iets stoms! Nee, in China is het een manier om te laten weten dat je er aan komt, zo van: Hallo! Hier ben ik! Geen waarschuwing of kritiek, maar een teken van leven.

Opeens klinkt dat getoeter mij als muziek in de oren: overal hoor ik verschillende toeters die in alle toonaarden vriendelijk maar beslist van zich laten horen. Alsof je op een feestje binnenkomt en iedereen roept: Hallo! Hier ben ik! Wie is er nog meer!? Ik heb er zin in! Het is een feestelijk getoeter, zo gezellig door elkaar. Niemand verstaat elkaar, maar dat maakt niet uit: het enige wat telt is dat je er bent.

De Chinese racebaan is veranderd in een Chinese kermis. Ik ga een claxon kopen en begeef me in het feestgedruis: Hallo! Ik ben er ook! Ik voel me hier al helemaal thuis.

PINGPONG

Ik heb een gesprek gevoerd in het Chinees, althans dat denk ik. Gisterochtend werd de tafeltennistafel bezorgd, het verjaardagskado voor onze jongste. Afgelopen zaterdag hadden we deze aankoop gedaan in een tweedehandswinkel, Roundabout geheten. We waren blij met onze aankoop: een bijna-nieuwe tafel voor een schappelijke prijs, waarmee we ook nog eens een goed doel steunden. Bij Roundabout worden tweedehands spullen verkocht door vrijwilligers en de opbrengst gaat naar noodlijdende Chinezen, zoals naar de slachtoffers van de aardbeving die onlangs in het noordwesten van China plaatsvond. Zoals verwacht paste de tafel niet in onze auto, maar de Engelssprekende mevrouw aan de telefoon had mij die ochtend verzekerd dat ze contact hadden met een lokale bezorger. Eenmaal in de winkel was diezelfde Engels-sprekende mevrouw niet aanwezig, maar de Chinees-uitziende mevrouw aan de kassa leek ons te begrijpen. Wat aarzelend gingen we na betaling de winkel uit: Kwam het wel goed? De mevrouw had alleen de naam van onze compound Beijing Riviera en ons huisnummer in het Chinees op een blaadje gekrabbeld. Maar gesterkt door de gedachte dat er waarschijnlijk meer klanten zouden zijn die ook in Beijing Riviera woonden en daarom ons Chinese adres wel bekend zou zijn, verlieten we de winkel. Maandagochtend om 11 uur zou er bezorgd worden.

Maandagochtend om 9 uur ging de telefoon: ‘You have order?’ zei een vrouwelijke stem met een Chinees accent. Aangezien wij dagelijks telefoontjes krijgen met verkooppraatjes – er is hier geen belmeniet-register- zei ik direct: ‘No thank you, I don’t want to order’, en hing op. Twee minuten later ging weer de telefoon en nu pas begreep ik dat ik de receptie van onze compound aan de lijn had, die altijd netjes belt om te controleren of een bezoeker welkom is. Ik verontschuldigde me en wachtte vervolgens in de deuropening op de bestelbus.

Vijf minuten later kwam er een busje voor rijden dat nauwelijks groter was dan onze eigen auto. Pruttelend kwam het tot stilstand en even dacht ik dat het door z’n wielen zou zakken. Een vrolijke Chinees stapte uit en begon direct tegen mij in het Chinees te praten. Ik antwoordde terug: ‘Yes, pingpongtable’. Hij opende de achterklep van zijn auto en daar zag ik inderdaad onze tafeltennistafel staan. Binnenin zag het busje er nog krakkemikkiger uit dan aan de buitenkant. Ik kon de vering van de stoelen zien zitten, de verlichting hing aan een draadje en er zat een gat in de onderkant , dat er volgens mij niet hoorde te zitten. Verschrikt keek ik in welke staat onze tafeltennistafel was, maar er was netjes een doek om de hoeken gevouwen. Direct zag ik een ander probleem: deze tafel kon er niet zomaar uitgeschoven worden. Op de één of andere manier zat het vastgeklemd tussen het dak en de zijkant. Het leek op zo’n driedimensionale puzzel, waarbij je een ring door een gat moet krijgen en direct al ziet dat dát onmogelijk is. De Chinese bezorger leek dit ook te denken, want hij keek mij vragend aan, alsof ik een idee zou hebben. Ik probeerde met handen en voeten uit te leggen hoe we de ene tafelhelft konden kantelen, zodat de andere eruit geschoven zou kunnen worden. Maar hij was het hier kennelijk niet mee eens, want hij onderbrak me en begon iets uit te leggen, wijzend naar onze buren. Wilde hij niet dat ik zou helpen en wilde hij daarom de hulp van de buren inroepen?

Toevallig was de tuinman van de buren aan het werk en de bezorger sprak hem aan. Deze gaf advies, of wilde niet helpen, maar in ieder geval ging hij daarna door met zijn werk. Mijn Chinese bezorger maakte het gebaar van de telefoon. Ik gebaarde dat hij dan naar binnen moest komen, maar dat was niet wat hij bedoelde. Opnieuw hadden we een gesprek over hoe we het aan zouden kunnen pakken. Hij vroeg mij één van de helften omhoog te houden en ondertussen vertelde hij mij wat ik moest doen. Dit werkte niet en vervolgens legde hij zijn nieuwe plan uit. Nu luisterde ik geduldig, want ondertussen had ik begrepen dat deze man mijn gebaren die uitdrukten ‘ik begrijp het niet’ alleen maar zag als aanmoediging om het op een ándere manier uit te leggen, met nog meer woorden en nog meer gebaren. Ik knikte na zijn uitleg, en dat was voor hem het teken om zijn verhaal tevreden te eindigen en de straat uit te lopen. Ik vermoedde dat hij hulp ging halen, maar na 5 minuten kwam hij alleen terug. Hij deed mij verslag van zijn ervaringen, en weer luisterde ik totdat hij uitgesproken was. Ondertussen spookte er van alles door mijn hoofd: was er een ander probleem, dacht hij misschien dat ik niet had betaald? Wachtte hij op mijn betaling? Aan het einde van zijn verhaal zei ik hem dat wij reeds in de winkel betaald hadden, terwijl ik wist dat hij mij niet zou verstaan. Echter, tot mijn verbazing haalde hij een stapeltje bankbiljetten uit zijn zak en legde het nogmaals uit. Blij knikte ik: ‘Yes, I paid’.

Ik verwachtte dat hij nu echt zou beginnen aan het uitladen, maar hij liep weg, mij verbouwereerd achterlatend. Voordat ik bedacht had of er iets van mij werd verwacht, kwam hij terug met een bewaker van onze compound. Deze man keek mij niet aan, zei geen woord, en binnen enkele seconden had mijn Chinese bezorger mij en hem zodanig instructies gegeven over het uitladen dat beide delen van de tafel binnen enkele minuten ongehavend en wel bij ons in huis stonden. Hij betaalde 10 yuan aan de bewaker (Nu pas begreep ik wat hij bedoelde met het stapeltje bankbiljetten!), die zonder iets te zeggen terug naar zijn standplaats terug sloop. Hij had duidelijk iets gedaan wat niet mocht. Maar ik was blij en gaf mijn held opgelucht het geld voor de bezorging. Aangemoedigd door mijn fooi vertelde hij mij nog eens het hele verhaal. Samen lachten we er nog eens hartelijk om. Tevreden over de uitkomst scheidden onze wegen zich.

En ik keek glimlachend terug op ons gesprek. Als je van een afstandje ons had zien praten, zou je denken dat ik heel goed Chinees kan spreken. Ons gesprek zag eruit als een geanimeerd onderonsje, waarbij de één zich aangemoedigd voelde om steeds meer te gaan vertellen. Ik moest denken aan een college dat ik tijdens mijn studie heb gevolgd Infant Communication, over hoe ouders van nature met hun baby praten. Alleen al doordat de baby ‘uhuhuh’ zegt en hen aankijkt, worden ouders aangemoedigd om hele verhalen te vertellen. Het stimuleert de taalontwikkeling van de baby, het bevordert een veilige hechting tussen ouder en kind, en de baby leert onbewust de communicatieregels.

Vandaag heb ik mijn eerste les gehad in de Chinese taal. En hij is vast en zeker een hele goede vader.

TABLE FOR 4

image

Wij zijn verliefd op Annie’sAnnie’s is een Italiaanse restaurantketen met verschillende vestigingen in Peking. Toen wij vorig jaar in de herfstvakantie hier waren om scholen en huizen te bekijken, hebben we voor het eerst bij Annie’s gegeten. En het was echt goed. Onze eerdere ervaringen met ‘westerse’ restaurants in China waren namelijk ronduit slecht: het personeel sprak geen woord Engels –ondanks de Engelstalige menukaart- en het eten kon alleen maar klaargemaakt zijn door een kok die nog nooit westers eten had geproefd. We hadden toen besloten om nooit meer in China naar een ‘westers’ restaurant te gaan. Maar toch, toen Annie’s door verschillende collega’s van mijn man werd aanbevolen, hebben we de stap gewaagd. En het was een succes. Niet alleen heeft onze jongste daar pizza’s leren waarderen, wij waanden ons even in ons geliefde Toscane. Bovendien sprak het personeel voldoende Engels om onze wensen te verstaan. Dolblij waren we dan ook toen wij ontdekten dat er bij ons om de hoek een Annie’s gevestigd was, dat ook nog eens dezelfde naam draagt als onze compound: Beijing Riviera. Bijkomend voordeel was dat er een bezorgservice was: de brommertjes van Annie’s reden af en aan op ons terrein. Na 3 weken wilden we toch ook een keer in het restaurant gaan eten. Ik nam aan dat reserveren noodzakelijk was, gezien de populariteit in onze buurt. Het telefoongesprek ging als volgt:

A: ​Annie’s Restaurant, may I have your order?
I: ​I would like to have dinner in your restaurant tonight, is it necessary to make a reservation?
A: ​You want tuna, which number on the menu?
I: ​No, I don’t want to order now, I would like to come to your restaurant with 4 people.
A: ​40?
I: ​No, this is not the number on the menu, I come to you with 4 persons.
A: ​40 persons?
I: ​No: 4! …. 4 persons
A: ​44 persons?
I: ​No, only 4! Today!
A: ​Today at 4 o’clock?
I: ​No, I come to your restaurant this evening
A: ​This evening, what time?
I: ​At 7 o’clock
A:​ OK, 7 clock, 44 persons?
I: ​No! 4 persons: 1-2-3-4!
A: ​OK, 4 persons, 7 o’clock. Your name, please?
I: ​Vandenberg (Ik dacht dat deze naam gemakkelijker zou zijn dan Röder, maar terwijl ik het zei vreesde ik het al):

A: ​Please spell your name?

Ik geloof dat ik het 7 keer herhaald heb, maar we raakten de weg kwijt in de letters. Ze schreef maar 1 letter per keer op, en daardoor wist ik op een gegeven moment niet meer waar ze was gebleven. Ik ben heel benieuwd wat ze heeft opgeschreven, ik geloof iets van: belbelbanji. Zo sprak ze het tenminste uit.

Ik heb zojuist besloten om een Chinese naam aan te nemen, die geen verwarring geeft: Li bijvoorbeeld. Of misschien hoef je hier niet te reserveren. Niet omdat het niet druk is, maar omdat het niet begrepen wordt. Ik denk dat iedere buitenlander na een dergelijke, vergelijkbare ervaring nooit meer reserveert. Ik ben benieuwd hoe groot de tafel is die we voor vanavond hebben gereserveerd….

DONE IN CHINA

Beijing Riviera 429

Wij hebben hier in China een prachtig groot huis. De eerste dag voelt het alsof ik een paleis binnen stap. Drie treden naar de voordeur, een hal, nog een voordeur, een ontvangsthal met grote spiegel, en aan weerszijden een entree: één naar de eetkamer, en één naar de woonkamer. Als je omhoog kijkt in de ontvangsthal zie je een grote kroonluchter en de balustrade van de 2e verdieping. Overal marmer op de vloer, in de slaapkamers parket. Hoge plafonds en grote, stevige deuren. De zware gordijnen moet je dichtdoen met een stok. En veel kamers, met nóg meer badkamers. En overal lichtknopjes, voor talloze kroonluchters, spotjes, staande lampen en voor de buitenverlichting. Het lijkt op de huizen die ik in Amerikaanse films zie. Ik voel me Julia Roberts in de film ‘Pretty woman’,  waarin ze als arme vrouw de steenrijke Richard Gere ontmoet en zich verbaast over de luxe.

Dit sprookje duurt één dag. De volgende ochtend word ik wakker in de werkelijkheid: tijdens mijn wandeling naar de badkamer licht mijn slaapkamer op in stofwolken.  Verbaasd kijk ik achterom: uit de naden tussen de houten planken dwarrelt het gruis van de betonvloer op. Mijn voeten zien eruit alsof ik een dag lang in een net opgeleverd nieuwbouwhuis heb gewerkt. Met koud water spoel ik mijn voeten schoon. Geen warm water.

Ik laat mij niet zo snel uit mijn droom verjagen. Natuurlijk, in elk nieuw huis zijn er dingen die niet direct goed werken. Geen nood, want ‘klein onderhoud’ is in onze huurprijs inbegrepen. Ook dat voelt als luxe. Bij het huurcontract zit het visitekaartje van de klusjesman: Norman Li . Mijn fantasie slaat op hol: de naam Norman roept bij mij associaties op van een grote, stoere bouwvakker uit Scandinavië. De achternaam Li doet echter vermoeden dat het hier gaat om een Chinees die een Westerse naam heeft aangenomen zonder zich te realiseren welke associaties deze oproept. Ik moet stilletjes lachen en bel de Chinese Norman, die belooft dat er direct iemand komt om het probleem te verhelpen.

Nog geen uur later staat Norman zelf op de stoep: een fragiele Chinees in een net pak met een blocnote en mobiele telefoon. Ik schiet bijna in de lach, maar herstel me en laat hem binnen met mijn eerste Chinese woordje ‘Ni hao’. Maar voordat ik hem een hand kan geven heeft hij al plastic hoesjes om zijn schoenen heen gedaan. Hij stelt zich voor in keurig Engels en ik vraag mij af of hij ook een plastic werkpak over zijn nette pak gaat aantrekken, voordat hij aan de klussen gaat beginnen. Lang hoef ik niet op mijn antwoord te wachten, want opnieuw gaat de bel en nu staat er een echte Chinese werkman op de stoep, herkenbaar aan een lichtblauw werkpak. Hetzelfde ritueel volgt: ik zeg ‘Ni hao’ en razendsnel heeft de man zijn plastic slofjes aan gedaan. Ik leer al snel dat ik geen hand hoef te geven en dat de Chinese werkmannen geen woord Engels spreken. Hij kijkt mij niet aan en begint direct met Norman in het Chinees te praten. Ik geloof dat ik er niet bij hoef te zijn. Maar voordat ik weg kan gaan, gaat de bel opnieuw: nu staan er twee Chinese werkmannen voor de deur met een manshoge stofzuiger. Norman laat hen binnen en begint direct met hen te praten. Ik begrijp dat het allemaal geregeld wordt en trek me terug in de keuken. Opnieuw gaat de bel. Norman opent de deur, terwijl ik me afvraag waarom er nog twee Chinese werkmannen nodig zijn. Ze lopen direct door naar de bijkeuken, kijken en meten in de verschillende meterkastjes en schuiven een lijst onder mijn neus die ik moet tekenen bij ons huisnummer, nummer 429. In de weken die volgen begin ik te begrijpen dat er elke week wel één of andere controle is: het gas, de elektriciteit, het water, het  brandalarm, de airconditioning, en alles wat nog meer gecontroleerd moet worden maar waarvan ik niet snap wat ze aan het controleren zijn. In goed vertrouwen onderteken ik alles.

Norman komt naar mij toe en vraagt of er nog meer vragen of problemen zijn. Hij wijst naar het schilderij dat op de grond staat. De dag ervoor hebben we dit op een Chinese kunstmarkt gekocht. Ik denk dat hij het mooi vindt of dat hij het leuk vindt dat wij kunst van een Chinese kunstenaar hebben aangeschaft. Maar hij lijkt mijn vragen hierover niet te begrijpen, want hij vraagt waar het moet  hangen. Ik wijs de plek op de muur aan en 10 minuten later staan er weer twee nieuwe werkmannen op de stoep: de één met een gereedschapskist, de ander met een stoffer en blik. Ik begrijp dat zij het schilderij komen ophangen. Ik ben blij, want ik had als nette Nederlandse burger de omschrijving van ‘klein onderhoud’ op de letter nauwkeurig gelezen en volgens mij hoort het ophangen van spullen die je zelf koopt niet tot deze omschrijving. Maar de Chinezen nemen het niet zo nauw met regels en ik ervaar hier aan den lijve dat dit ook in je voordeel kan werken. In de weken die volgen wordt alles netjes voor mij opgehangen: van de klok in de keuken tot de spiegel in de doorloopkast. Alles bij de Chinese IKEA gekocht. Ik ben superblij, want niet alleen ontbreekt het ons hier aan schroevendraaiers en een boormachine, ik worstel ook altijd met de handleidingen om de IKEA spullen in elkaar te zetten. Voor de Chinese werklui is dit geen enkel probleem: de afbeeldingen die IKEA gebruikt zijn blijkbaar voor een Chinees wel duidelijke taal.

Nu we drie weken verder zijn moet ik nog steeds elke dag Norman bellen met een ‘probleem’. Elke dag doemt er iets nieuws op: er valt spontaan een tl-buis achter onze badkamerspiegel vandaan, de televisie geeft een steeds slechter beeld, de wc trekt niet goed door, de DVD speler blijft steken na 60 minuten speeltijd, er lekt een buis in de bijkeuken, het stof blijft uit de naden van onze slaapkamervloer omhoog komen, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Elke dag om 9 uur bel ik Norman, en elke dag om 10 uur staat er een leger Chinese werklui klaar om snel, zonder woorden en zonder te klagen de klus te klaren. Ik ben elke dag weer blij, maar begin zo langzamerhand te begrijpen dat dit niet voor lang zal zijn. Blijkbaar hoort dit bij de Chinese manier van werken. Ons huis is, net als alle andere huizen en gebouwen in Peking, snel in elkaar gezet. Aan de oppervlakte ziet het er prachtig uit, maar de kwaliteit is slecht. Een probleem wordt pas opgelost als het aan de oppervlakte komt en er wordt niet nagedacht over het voorkómen van deze problemen. Ik denk nu dat zij dit met opzet doen. Op deze manier is er namelijk werk voor tientallen werklui, die niets te doen zouden hebben als ons huis goed gebouwd zou zijn. Ik kan er wel mee leven. Norman klaagt of zucht nooit als ik weer aan de telefoon hang, en alle werklui blijven uiterst vriendelijk, zowel voor als na hun klusje. Mijn jongste zoon vindt het zielig dat ze zo vaak moeten komen, maar inmiddels geeft hij zichzelf al antwoord: “Ja, mama, ik weet het: ze zijn hier in China blij dat ze werk hebben”. En ik plak in gedachten een stickertje op ons huis: DONE IN CHINA. Nu erger ik me niet meer aan het zoveelste mankement dat aan de oppervlakte komt. Ik ben nog steeds blij met mijn huis. En met Norman.

MADE IN CHINA

Als kind had ik een beeldje uit China: MADE IN CHINA stond op het stickertje op de onderkant. Het leek op een Grieks beeldje, gemaakt van lichtgeel steen met hier en daar wat kleine stukjes eraf. Het moest heel oud zijn en was vast en zeker kostbaar; ik was er dan ook heel zuinig op. En dat het uit China kwam bewees voor mij alleen maar dat het tijdens een opgraving gevonden moest zijn. Men zei toch niet voor niets “Het Oude China”?

Jaren later leerde ik dat China een meester is in het namaken, van oude beeldjes tot moderne apparatuur. En dat de mankracht in China goedkoop is, zelfs zo goedkoop dat de kosten om iets in China te laten maken en te verschepen nog altijd lager zijn dan hetzelfde product in Nederland te laten maken. Mijn beeldje devalueerde ter plekke tot een massaproduct van weinig waarde. Ik voelde me bedrogen door de Chinezen. Boos krabde ik het kleine stickertje MADE IN CHINA eraf. Maar ik liet het beeldje in mijn kamer staan; ook al was het nep, ik vond het nog steeds mooi.

Nu ik in China woon zie ik wat MADE IN CHINA nog meer kan betekenen. Ik zie dat elke Chinees, zelfs de straatveger, dure spullen heeft, zoals een mobieltje. Mijn eerste gedachte is steevast: hoe komen ze aan het geld? Maar dan bedenk ik me dat we in China zijn en denk ik: “Het zullen wel geen echte Iphones zijn”. Toch zien ze er wel heel echt uit. Maar wat is ‘echt’? Is het echt als het logo van Apple erop staat? Of is het echt als het gemaakt is op de originele manier, dus zoals het door de ontwerpers wordt geproduceerd? Voor producten zoals Coca Cola® is dit gemakkelijk te bepalen: het geheime recept ligt al jaren goed beveiligd in een kluis. Hoezeer andere fabrikanten hun best doen om de originele cola na te maken, het is hen nog steeds niet gelukt: je blijft het verschil proeven. Anders ligt het voor producten waar geen beroep wordt gedaan op smaakpapillen, zoals bijvoorbeeld elektronische apparatuur, kleding en schoenen. Is een All Star schoen echt wanneer het logo erop staat of wanneer je het originele product in handen hebt? En hoe weet je dat?

Die vraag stelden we onszelf toen we vorige week op de Pearl Market in Hong Qiao rondliepen. Overal waren merkproducten te koop: Nike® sportkleding, All Star® schoenen, Abercrombie & Fitch sweaters, Gucci®tassen. En alles werd ook nog eens voor waanzinnig lage prijzen aangeboden. We begonnen wantrouwend te worden: het kón gewoon niet zo zijn dat deze kleding, schoenen en tassen de originele producten waren. Wij wisten namelijk hoe duur de echte zijn. Vorig jaar had mijn dochter nog bij de supersjieke Abercrombie & Fitch winkel in Londen een originele sweater gekocht voor 150 euro, en hier konden we dezelfde voor nog geen 30 euro kopen. Zo ook voor de All Star schoenen: hier 15 euro, in Nederland niet onder de 65. We bestudeerden de aangeboden waren grondig, en aangezien we het originele product in ons bezit hebben, konden we goed vergelijken op kwaliteit van de stof, de afwerking, het logo, de vorm, enzovoort. Conclusie: wij zagen en voelden geen enkel verschil. Onze Chinese chauffeur bevestigde dit. Wat blijkt? Er ís ook geen verschil. Want het zijn déze sweater en déze schoenen die naar Londen en Amsterdam worden verscheept. MADE IN CHINA, maar met het originele logo. En het zijn deze sweater en deze schoenen die vervolgens in Londen en Amsterdam in de winkel liggen voor 5 maal de oorspronkelijke prijs. Daar in Europa kopen we Abercrombie & Fitch en All Star en zetten we geen vraagtekens bij de echtheid, maar op de Pearl Market zijn we geneigd deze niet te kopen, omdat we denken dat het nep is. De prijs strooit ons zand in de ogen en we zien niet meer waar het werkelijk om gaat.

Inmiddels liggen hier twee sweaters van Abercrombie & Fitch en drie paar All Stars in de kast. Welke waren ook al weer de ‘echte’? Welkom in China!